BewustzijnCirca 11 minuten

Er is genoeg

Een fles afwasmiddel maakt zichtbaar hoe schaarste en overvloed onze aandacht, ons vertrouwen en ons vermogen om te geven beïnvloeden.

Vanuit een enkele appelpit waaieren tientallen kleine zaden uit over warm papier, met daartussen enkele jonge blaadjes.

Er is genoeg

Stel, je gebruikt regelmatig afwasmiddel. Je koopt een fles, gebruikt die een paar weken en op een gegeven moment zie je dat hij bijna leeg is. Je moet binnenkort weer naar de winkel. Misschien denk je alvast aan wat je nog meer nodig hebt, hoeveel geld je wilt uitgeven en wanneer je tijd hebt om boodschappen te doen. Het is maar een fles afwasmiddel, maar ergens in je achterhoofd vraagt hij alweer om aandacht.

Je kunt het ook anders doen. Je koopt een hele doos en zet die onder de trap. Afwasmiddel blijft jaren goed en je weet dat je het toch zult gebruiken. Iedere keer wanneer een fles leeg is, pak je gewoon een nieuwe. Je hoeft er niet meer over na te denken.

Het lijkt een onbeduidend verschil, totdat je kijkt naar wat het met je doet.

In het eerste geval ben je steeds bezig met iets wat dreigt op te raken. Je hebt vandaag nog voldoende, maar je aandacht is alweer bij het tekort van morgen. In het tweede geval gebruik je gewoon wat je nodig hebt. Er is genoeg.

En stel nu dat iemand op bezoek komt en vertelt dat zijn afwasmiddel op is. Je loopt naar de kast, pakt een fles en geeft die mee. Waarom niet? Je hebt er toch genoeg.

Je rekent niet uit wat die fles je heeft gekost. Je vraagt je niet af wanneer je er iets voor terugkrijgt. Je geeft hem gewoon.

Dat is een heel andere ervaring van bezit.

De ervaring van schaarste

We denken bij schaarste meestal aan omstandigheden. We hebben te weinig geld, te weinig tijd, te weinig aandacht of te weinig mogelijkheden. En soms is dat ook werkelijk zo. Wie zijn boodschappen niet kan betalen, heeft een reëel tekort dat niet verdwijnt door er anders over te denken.

Maar schaarste bestaat ook als innerlijke ervaring, zelfs wanneer er voldoende beschikbaar is.

Je kunt geld op de bank hebben en toch voortdurend bang zijn dat het opraakt. Je kunt geliefd worden en je toch bezighouden met de mogelijkheid dat iemand je verlaat. Je kunt genoeg tijd hebben en het gevoel houden dat je achterloopt.

In al die gevallen gebeurt iets vergelijkbaars. Je aandacht verschuift van wat er aanwezig is naar wat er mogelijk zou kunnen ontbreken.

En zodra je aandacht zich voortdurend op dat mogelijke tekort richt, begint het je gedrag te beïnvloeden. Je wordt voorzichtiger, gaat meer controleren, houdt dingen vast die je eigenlijk best zou kunnen missen. Je probeert jezelf te beschermen tegen een toekomst die nog niet heeft plaatsgevonden.

Dat kost energie. Niet alleen omdat je steeds oplossingen moet bedenken, maar ook omdat je lichaam reageert op de spanning van iets wat nog helemaal niet gebeurd is.

Het bijzondere is dat die bescherming het gevoel van schaarste in stand kan houden. Je ervaart nooit werkelijk dat er genoeg is, omdat je aandacht steeds alweer bij het volgende mogelijke tekort ligt.

Hoeveel is genoeg?

Terug naar die doos afwasmiddel.

Stel dat je twaalf flessen onder de trap hebt staan. Voor de één is dat een geruststellende voorraad. Voor de ander zijn het twaalf flessen die ooit op zullen raken. Misschien moet hij er nog een doos bij kopen, voor de zekerheid.

Aan de buitenkant zie je precies hetzelfde. Twee mensen met twaalf flessen afwasmiddel. Vanbinnen kunnen ze een totaal andere ervaring hebben.

En daarmee ontdekken we iets belangrijks. De hoeveelheid die je bezit, bepaalt niet vanzelf of je overvloed ervaart.

Je hoeft zelfs helemaal geen voorraad te hebben.

Je kunt ook één fles kopen, die rustig gebruiken en wanneer hij leeg is naar de winkel lopen om een nieuwe te halen. Geen zorgen, geen voortdurende berekeningen. Je weet dat je hem nodig hebt en vertrouwt erop dat je er weer een kunt kopen.

Dan zit de overvloed niet in de kast onder de trap. Ze zit in je verhouding tot wat beschikbaar is.

Dat vertrouwen betekent niet dat je nooit vooruit hoeft te denken of verstandig met geld moet omgaan. Je kunt prima plannen, sparen en een voorraad aanleggen zonder dat angst de reden hoeft te zijn.

Er ontstaat ruimte wanneer je niet langer elk mogelijk tekort hoeft te voorkomen voordat je kunt ontspannen.

De vrijheid om te geven

En dan komt het geven.

Wanneer je ervan overtuigd bent dat je tekort zult komen, krijgt alles wat je weggeeft een andere betekenis. Wat je weggeeft, heb je zelf niet meer. Een fles afwasmiddel minder. Een tientje minder. Een uur minder tijd.

Je kunt nog steeds vrijgevig zijn, maar ergens kan het voelen alsof je iets van jezelf moet inleveren.

Vanuit overvloed verandert die ervaring. Je ziet wat iemand nodig heeft en merkt dat je het kunt missen. Je geeft zonder dat je eerst een hele berekening hoeft te maken.

Daar gebeurt iets interessants.

Door die fles weg te geven, ervaar je opnieuw dat je genoeg hebt. Je ontdekt dat je niet alles hoeft vast te houden om veilig te zijn. Dat je iemand kunt helpen zonder daarmee jezelf tekort te doen.

En de ander ervaart iets vergelijkbaars, maar dan aan de ontvangende kant. Iemand had iets nodig en kreeg het. Zonder verplichtingen, zonder dat er onmiddellijk iets tegenover moest staan.

Misschien geeft die persoon later op zijn beurt iets aan iemand anders. Misschien helpt hij jou ooit ergens mee. Misschien gebeurt er helemaal niets wat je rechtstreeks aan die fles kunt verbinden.

Dat maakt voor het geven zelf niet uit.

Je hebt iets beschikbaar gemaakt wat een ander nodig had. Je eigen leven is er niet armer van geworden, terwijl dat van iemand anders er een klein beetje gemakkelijker door werd.

Overvloed krijgt daarmee een betekenis die verder reikt dan je eigen bezit.

Een patroon in de natuur

Wie goed kijkt naar de natuur, ontdekt dat overvloed op een verrassende manier terugkomt in de manier waarop leven zich voortzet.

Neem een appelboom.

Uit één enkel zaadje kan een boom groeien die gedurende zijn leven duizenden appels voortbrengt. En in iedere appel zitten opnieuw zaden waaruit nieuwe bomen kunnen groeien.

De boom brengt veel meer voort dan nodig is om zichzelf te vervangen. Verreweg de meeste zaden zullen nooit uitgroeien tot een nieuwe boom. Sommige worden opgegeten, andere vergaan en weer andere belanden op een plek waar ze niet kunnen ontkiemen. Maar een klein deel vindt de juiste omstandigheden en groeit verder.

En die nieuwe bomen kunnen op hun beurt weer duizenden vruchten voortbrengen.

Dat is een bijzonder patroon. Uit iets kleins ontstaat iets wat vele malen meer mogelijkheden voortbrengt dan waarmee het begon.

We zien het overal terug. Bloemen produceren grote hoeveelheden stuifmeel, bomen verspreiden ontelbare zaden en veel organismen brengen meer nakomelingen voort dan uiteindelijk zullen overleven.

De natuur kent schaarste, concurrentie en verlies. Toch is de voortzetting van het leven vaak gebaseerd op een overvloed aan mogelijkheden. Niet ieder zaadje hoeft een boom te worden om het leven voort te laten gaan.

En kijk eens wat er met al die vruchten gebeurt.

Ze voeden dieren, verspreiden zaden en worden uiteindelijk weer onderdeel van de bodem waaruit nieuw leven kan ontstaan. Wat de boom voortbrengt, blijft niet beperkt tot de boom zelf. Zijn vruchten dragen bij aan een groter geheel waarvan hij zelf ook deel uitmaakt.

Hier herkennen we iets van het principe van geven en ontvangen.

De boom ontvangt water, zonlicht en voedingsstoffen uit zijn omgeving. Daarmee groeit hij, draagt hij vruchten en maakt hij op zijn beurt weer andere levensprocessen mogelijk.

Dat is geen bewuste vrijgevigheid. De boom denkt niet na over wat hij weggeeft of wat hij ervoor terugkrijgt. Het is eenvoudigweg de manier waarop het leven zich ontwikkelt.

En juist dat maakt het zo interessant.

Wat wij beschrijven als overvloed, geven en ontvangen, herkennen we hier als onderdelen van natuurlijke processen. Leven ontvangt uit zijn omgeving, brengt iets voort en maakt daarmee nieuw leven mogelijk.

De natuur geeft ons geen garantie dat er altijd genoeg zal zijn voor ieder individu. Maar ze laat wel zien dat wat vandaag aanwezig is, niet de grens hoeft te zijn van wat morgen mogelijk is.

Een zaadje bevat geen voorraad appels voor de toekomst. Het bevat het vermogen om een boom te worden die ze opnieuw kan voortbrengen.

En daarmee wordt ook onze eigen neiging om alles vast te houden interessant. We zoeken zekerheid in wat we al hebben, terwijl een groot deel van het leven juist ontstaat uit wat zich verder kan ontwikkelen.

Wat je geeft, werkt door

Hetzelfde patroon kunnen we herkennen in ons eigen gedrag.

Wanneer je iets geeft, verdwijnt het uit jouw bezit, maar daarmee houdt de betekenis ervan niet op. Die fles afwasmiddel wordt door iemand anders gebruikt. De hulp die je biedt, maakt iets mogelijk. De aandacht die je aan iemand schenkt, kan invloed hebben op hoe die persoon zich voelt en vervolgens met anderen omgaat.

Net als een zaadje kan een kleine handeling gevolgen hebben die verder reiken dan het moment waarop ze plaatsvindt.

Daarmee komen we bij een principe dat in spirituele tradities vaak wordt beschreven als karma.

Karma wordt in het dagelijks taalgebruik nogal eens voorgesteld als een soort kosmisch beloningssysteem. Doe iets goeds en er zal iets goeds met je gebeuren. Doe iets slechts en vroeg of laat krijg je daarvoor de rekening gepresenteerd.

Maar het is interessanter om te kijken hoe ons handelen vanzelf gevolgen heeft.

Stel dat je ervan overtuigd bent dat mensen vooral op zichzelf gericht zijn en dat je voortdurend moet opletten of iemand misbruik van je maakt. Je zult waarschijnlijk minder snel iets delen, minder gemakkelijk vertrouwen en voorzichtiger zijn in contact met anderen.

Mensen reageren op die houding. Misschien houden ze zelf ook wat meer afstand. Misschien voelen ze zich minder vrij om open te zijn. En daarmee ontstaat precies de wereld waarin jouw oorspronkelijke overtuiging bevestigd lijkt te worden.

Het omgekeerde kan ook gebeuren.

Wanneer je anderen met vertrouwen tegemoet treedt en bereid bent iets van jezelf te geven, verandert de manier waarop je relaties aangaat. Mensen voelen zich gemakkelijker bij je, durven soms zelf meer te delen en zijn mogelijk eerder bereid iets terug te doen.

Niet omdat het universum een boekhouding bijhoudt, maar omdat jouw gedrag deel uitmaakt van de omstandigheden waarin je leeft.

Je innerlijke houding krijgt gevolgen buiten jezelf. Die gevolgen worden vervolgens weer onderdeel van jouw ervaring.

Zo kunnen schaarste en overvloed zichzelf versterken.

Dat wil niet zeggen dat vriendelijkheid altijd beloond wordt of dat nare gebeurtenissen het gevolg zijn van een verkeerde innerlijke houding. Andere mensen hebben hun eigen keuzes, en de wereld laat zich niet volledig door onze verwachtingen bepalen.

Maar we onderschatten gemakkelijk hoeveel invloed onze manier van kijken heeft op de werkelijkheid die we dagelijks ervaren.

Maak je geen zorgen voor morgen

In het evangelie van Matteüs staat een passage waarin Jezus spreekt over de vogels in de lucht. Ze zaaien niet, oogsten niet en verzamelen geen voorraad in schuren, en toch vinden ze voedsel.

Vervolgens richt hij zich op de menselijke neiging om ons zorgen te maken over wat we morgen zullen eten, drinken of aantrekken.

De passage wordt vaak gelezen als een oproep om op God te vertrouwen. Maar er ligt ook een heel herkenbare menselijke ervaring onder.

We zijn in staat om ons vandaag zorgen te maken over een tekort dat zich pas morgen zou kunnen voordoen. En vervolgens kunnen we zoveel aandacht besteden aan die mogelijke toekomst dat we nauwelijks nog ervaren wat er vandaag aanwezig is.

Daarmee maken we van zorgen bijna een vorm van verantwoordelijkheid. Alsof we door voortdurend bang te zijn voor wat mis kan gaan, voorkomen dat het gebeurt.

Natuurlijk moeten we soms maatregelen nemen. We moeten eten kopen, onze rekeningen betalen en rekening houden met onze omstandigheden. Maar nadat we hebben gedaan wat nodig is, kunnen we blijven nadenken over alles wat alsnog verkeerd zou kunnen gaan.

Dan zijn we niet meer bezig met het oplossen van een probleem. We zijn bezig met het vasthouden van de angst ervoor.

En precies daar verandert de betekenis van vertrouwen.

Vertrouwen is niet de zekerheid dat er nooit iets mis zal gaan. Het is het vermogen om met het leven om te gaan zonder voortdurend vooruit te lopen op alles wat mis zou kunnen gaan.

Er is genoeg

Overvloed begint vaak dichterbij dan we denken.

Niet bij het bereiken van een bepaald banksaldo, het bezitten van een groot huis of de zekerheid dat je voor de rest van je leven niets meer tekort zult komen. Want als overvloed daarvan afhankelijk is, kun je altijd nog een reden vinden waarom het niet genoeg is.

Het begint bij het herkennen van wat er nu werkelijk beschikbaar is.

Je hebt iets nodig, dus je gebruikt het. Je kunt iets missen, dus je geeft het weg. Je ontvangt iets van een ander en hoeft niet onmiddellijk uit te rekenen hoe je dat moet terugbetalen.

En wanneer de fles afwasmiddel leeg is, loop je gewoon naar de winkel.

Die eenvoudige vanzelfsprekendheid kan iets veranderen in de manier waarop je leeft. Je hoeft niet voortdurend bezig te zijn met wat je dreigt te verliezen. Er ontstaat aandacht voor wat er al is, voor wat je ermee kunt doen en voor wat je met anderen kunt delen.

En naarmate je minder vanuit angst hoeft vast te houden, wordt ook de wereld om je heen een plek waarin meer kan worden uitgewisseld.

De fles onder de trap was nooit het belangrijkste.

Het was het vertrouwen waarmee je hem gebruikte.