CultuurCirca 6 minuten

De paradox van verwachting

Hoe eerder succes nieuw werk kan belasten met de opdracht zichzelf te herhalen.

Een geometrisch patroon van gekleurd zand ligt deels intact op een warme stenen ondergrond en valt aan de rechterzijde uiteen in losse korrels.

De paradox van verwachting

Soms breekt een band door met een eerste album dat voelt alsof het nergens vandaan komt. De muzikanten zoeken nog naar hun geluid, proberen iets uit en laten het weer vallen. Niemand weet precies wat het moet worden. Juist daardoor kan er iets ontstaan wat nog niet eerder bestond.

Wanneer het album verschijnt, herkennen mensen er iets in. De muziek klinkt fris, eigen en ongeforceerd, alsof zij er altijd al was en alleen nog door iemand gevonden moest worden.

Dan komt het tweede album.

De band gaat opnieuw de studio in, maar dit keer zijn ze niet alleen. Het eerste album is er ook. Het staat als een onzichtbaar extra bandlid in de ruimte en luistert met iedere opname mee. De nieuwe muziek moet verrassen, maar ook herkenbaar blijven. Ze moet groeien zonder te veel te veranderen. Alles wat de eerste keer vanzelf ontstond, moet nu bewust opnieuw worden gevonden.

Het tweede album kan technisch beter zijn. De muzikanten hebben meer ervaring, betere apparatuur en een groter budget. Toch ontbreekt er soms iets. Je hoort geen gebrek aan talent. Je hoort hoeveel moeite het kost om opnieuw te klinken als de mensen die ooit nergens aan hoefden te voldoen.

Bij sporters gebeurt iets vergelijkbaars. Een jonge voetballer krijgt de bal en beweegt omdat hij ergens ruimte ziet. Hij draait weg, versnelt en probeert een actie zonder eerst te berekenen wat een mislukking over hem zal zeggen. Soms raakt hij de bal kwijt. Even later probeert hij het opnieuw.

Het spel is op dat moment nog gewoon spel.

Een paar jaar later wordt iedere beweging bekeken. Langs het veld zitten trainers, scouts en analisten. Op de tribune hebben duizenden mensen een mening. Na de wedstrijd worden zijn passes, looplijnen en balverlies teruggebracht tot cijfers en stilstaande beelden. Ook wanneer niemand iets zegt, weet hij dat er gekeken wordt.

Dezelfde ruimte ligt nog voor hem. Dezelfde bal rolt naar zijn voeten. Maar in het korte moment voordat hij handelt, reist zijn aandacht langs alles wat er van die actie afhangt.

Het talent is niet verdwenen. Er is alleen iets tussen het talent en de beweging komen te staan.

Succes verandert onze verhouding tot wat we doen. In het begin ontstaat het werk vanuit nieuwsgierigheid, liefde voor het maken en de behoefte om te ontdekken wat er mogelijk is. Er is nog geen eerdere prestatie die beschermd hoeft te worden. De maker hoeft niet te klinken, spelen of schrijven als iemand die al iets heeft bewezen.

Na succes verandert dat. De maker wordt degene die dat album heeft gemaakt. De voetballer wordt het grote talent dat wedstrijden kan beslissen. Wat eerst een gebeurtenis was, wordt onderdeel van een identiteit.

Vanaf dat moment kan nieuw werk een opdracht krijgen die het daarvoor niet had. Het moet bevestigen dat het eerdere succes terecht was. Het moet laten zien dat de maker nog steeds dezelfde bron bezit en de sporter nog steeds dezelfde belofte belichaamt.

De aandacht verschuift dan ongemerkt. De vraag is niet langer wat er nu kan ontstaan, maar hoe iets wat eerder werkte opnieuw kan worden bereikt.

Daarmee verschijnt tijd in het maken. Een deel van de aandacht kijkt achterom naar het vorige succes. Een ander deel staat al bij het toekomstige oordeel. Daartussen ligt het huidige moment, dat steeds minder als bestemming en steeds meer als middel wordt ervaren.

De band speelt een noot en hoort tegelijk hoe die zich verhoudt tot het vorige album. De voetballer zet een actie in en ziet de analyse achteraf al voor zich. De schrijver begint een zin terwijl hij zich afvraagt of zij even goed zal zijn als wat hij eerder schreef.

Er blijft minder ruimte over voor wat zich nog niet heeft aangekondigd.

Verwachting is daarom niet altijd het probleem. Een sporter mag willen winnen en een kunstenaar mag iets goeds willen maken. De vernauwing begint wanneer het resultaat moet bewijzen wie iemand is. Zodra het werk een identiteit overeind moet houden, wordt iedere afwijking gevaarlijk. Voorzichtigheid krijgt dan vanzelf meer invloed. Wat eerder succes bracht voelt veiliger dan iets waarvan de uitkomst nog onbekend is.

Zo kan een maker langzaam veranderen in iemand die zijn eigen werk reproduceert. Niet doordat de verbeelding verdwenen is, maar doordat het risico van ontdekking groter is geworden.

Daarom vind ik de zandmandala zo’n krachtig beeld.

Tibetaanse monniken brengen dagenlang gekleurd zand aan op een vlakke ondergrond. Vanuit het midden groeit langzaam een patroon. Iedere lijn bestaat uit korrels die met vaste hand naast elkaar worden gelegd. Van dichtbij zie je losse kleuren en kleine bewegingen. Pas op afstand verschijnt het geheel.

Het werk vraagt volledige aandacht. Een onrustige hand kan een lijn verstoren die uren heeft gekost. Toch wordt de mandala na voltooiing niet ingelijst of achter glas gezet. Het patroon wordt ceremonieel weggeveegd. Het zand wordt verzameld en teruggegeven aan stromend water.

Het ritueel wijst op vergankelijkheid. Ook iets waaraan met volledige aandacht is gewerkt, hoeft niet te worden vastgehouden.

Wat mij daarin raakt, is dat de zorg voor het werk en het loslaten ervan geen tegenstelling vormen. De monniken maken de mandala niet vluchtig omdat zij toch zal verdwijnen. Juist het tijdelijke krijgt hun volledige aanwezigheid. Iedere korrel doet ertoe, zonder dat het voltooide beeld bezit hoeft te worden.

Wanneer de mandala is weggeveegd, blijft er geen eerder werk liggen waarmee de volgende vergeleken moet worden. Er hoeft niets te worden overtroffen en geen succes te worden herhaald. Alleen de lege ondergrond en de mogelijkheid om opnieuw te beginnen blijven over.

Misschien is dat ook waarom uitzonderlijk werk zo moeilijk bewust te reproduceren is. Wat wij genialiteit noemen, behoort niet volledig toe aan een persoon. Het verschijnt wanneer talent, aandacht, vrijheid en omstandigheden op een bepaald moment samenvallen. De maker kan zijn vaardigheden meenemen naar een volgend werk, maar hij kan die toestand niet bezitten.

Zodra hij haar probeert vast te houden, verandert zijn verhouding ertoe. Hij kijkt niet meer alleen door de bron naar wat er ontstaat. Hij draait zich om en probeert de bron zelf te bekijken, te begrijpen en te besturen.

Precies daar ontstaat de paradox. De maker verlangt terug naar de vrijheid waarin het eerdere werk ontstond, maar maakt die vrijheid tot een nieuw doel. Hij probeert spontaan te zijn, probeert niet aan het resultaat te denken en probeert opnieuw te voelen wat toen vanzelf kwam. Iedere poging voegt een nieuwe verwachting toe.

De oorspronkelijke toestand kan niet worden herhaald alsof het een techniek is. Er kan alleen opnieuw ruimte voor ontstaan.

Dat vraagt geen onverschilligheid tegenover het resultaat. Een maker kan zorgvuldig werken, een sporter kan trainen en een band kan maanden aan een album besteden. Het verschil zit in wat het werk uiteindelijk moet dragen. Zodra het niet langer hoeft te bewijzen wie je bent, kan de aandacht terugkeren naar wat er voor je ligt.

Naar de noot die nu klinkt. De ruimte die nu opengaat. De bal die op dit moment naar je toe komt.

De zandmandala wordt met dezelfde aandacht gemaakt waarmee zij uiteindelijk wordt weggeveegd. Haar schoonheid wordt niet ontkend en het werk was niet voor niets. Het hoeft alleen niet te blijven liggen als bewijs dat het ooit is gelukt.

Daarna is de ondergrond weer leeg.

Niet omdat er niets van waarde is ontstaan, maar omdat er opnieuw iets mag ontstaan dat nog nergens op hoeft te lijken.