De kat uit de boom kijken
Over affectieve empathie, de emoties van anderen intens meemaken en de voorzichtigheid die daardoor in contact kan ontstaan.
De kat uit de boom kijken
De laatste tijd merk ik dat ik mezelf steeds vaker twee vragen stel wanneer ik iets hoor waarvan ik niet direct weet of het waar is.
Is dit een verhaal waarmee iemand de werkelijkheid probeert te verklaren? En spreekt hier angst of creatie?
Vooral bij mensen die hun inzichten delen, valt me dat op. Soms hoor ik iets wat ik onmiddellijk herken. De gedachte klopt, de richting voelt vertrouwd. Maar dan hoor ik iemand anders vrijwel hetzelfde vertellen en voelt het ineens anders. Alsof er iets aan is toegevoegd. Een behoefte om te overtuigen, indruk te maken of zichzelf een bepaalde positie te geven.
Dat hoeft niet eens in de woorden te zitten. Iemand kan iets heel verstandigs zeggen en toch voelt het alsof ik vooral naar een presentatie zit te kijken.
Ik merk dat ik daar steeds gevoeliger voor ben geworden. Soms voelt het bijna alsof ik gedachten kan lezen, al is dat natuurlijk niet wat er gebeurt. Ik ervaar iets van de emotie van waaruit iemand spreekt. Of beter gezegd: ik voel of ik contact krijg met wat iemand laat zien.
En wat me misschien nog het meest verbaast, is dat ik dit steeds meer begin te waarderen. Want jarenlang heb ik vooral de moeilijke kant ervan gekend.
Als de emotie echt wordt
Ik kan enorm geraakt worden door mensen.
Zet me voor een talentenjacht en de kans is groot dat ik op enig moment zit te huilen. Niet noodzakelijk omdat iemand prachtig zingt, maar om wat er met die persoon gebeurt. De spanning voordat iemand begint. De kwetsbaarheid van iemand die zich helemaal geeft, zonder te weten hoe dat ontvangen zal worden. En dan dat moment waarop de spanning plaatsmaakt voor ongeloof, opluchting of pure vreugde.
Ik voel die ontlading bijna lichamelijk.
Hetzelfde heb ik bij een honderd meter sprint. Acht mensen staan klaar. Jaren van voorbereiding komen samen in een paar seconden. Je ziet de concentratie, de spanning in hun gezichten, de volledige overgave zodra het startschot klinkt. En dan de finish. Iemand beseft dat het gelukt is en laat zich vallen, schreeuwt het uit of barst in tranen uit.
Ik ken die persoon niet. Ik heb er zelf niets voor hoeven doen. Toch kan ik zo intens meeleven dat de tranen over mijn wangen lopen.
Of een voetbalinterview waarin een speler ineens zichtbaar geraakt wordt. Hij probeert een antwoord te formuleren, maar de emotie neemt het over. Juist wanneer de gebruikelijke antwoorden verdwijnen, wordt het voor mij interessant. Dan zie ik even de mens die daar staat.
Verdriet raakt me net zo goed.
Ik herinner me dat ik als jongen van een jaar of veertien, vijftien op een begrafenis was van iemand die ik persoonlijk niet eens kende. Toch huilde ik daar dieper dan wie dan ook om me heen.
Dat is een vreemde ervaring als je erover nadenkt. Ik had nauwelijks een eigen geschiedenis met degene die overleden was. Ik miste die persoon niet zoals de familie hem of haar moest missen. Maar het verdriet dat daar aanwezig was, kwam zo sterk bij me binnen dat ik het nauwelijks kon dragen.
Ik voelde wat er in die ruimte gebeurde. Het gemis, de liefde, het besef dat iemand er niet meer was. En op dat moment maakte het weinig uit dat het niet mijn eigen verlies was.
Dat is moeilijk uit te leggen aan iemand die het niet op die manier ervaart. Je kunt weten dat een ander verdrietig is. Je kunt begrijpen waarom. Je kunt medeleven tonen. Maar er is ook een manier van ervaren waarbij het verdriet van de ander onmiddellijk iets in jezelf wordt.
Je kijkt niet alleen naar iemand die huilt. Je voelt het huilen van binnenuit.
Het gevaar van een gewone vraag
Wat ik lange tijd niet begreep, was waarom ik tegelijkertijd zo bang kon zijn voor contact met mensen.
Ik stelde bijna nooit vragen. Ik keek liever eerst, luisterde en observeerde. Daarmee kon ik ontzettend veel over iemand te weten komen, vaak meer dan uit de verhalen die mensen over zichzelf vertelden.
Maar er zat ook een andere reden achter.
Stel je voor dat je iemand vraagt hoe het met zijn moeder gaat.
‘Mijn moeder is overleden.’
Voor de meeste mensen is dat een pijnlijk, onverwacht antwoord. Je schrikt, leeft mee, zegt iets aardigs en probeert zorgvuldig te reageren.
Bij mij gebeurt er op zo’n moment veel meer. Ik zie de reactie in het gezicht van de ander. Ik voel het verdriet dat opkomt. De verandering in de stem, de herinnering die door mijn vraag wordt aangeraakt. En voordat ik goed en wel kan bedenken wat ik moet zeggen, ben ik zelf al geraakt.
Ik wilde dat niet meemaken.
Niet omdat ik ongeïnteresseerd was in mensen. Integendeel. Het was juist die betrokkenheid die me voorzichtig maakte.
En er speelde nog iets wat het ingewikkelder maakte: die emotie ontstond als reactie op mij.
Ik had de vraag gesteld. Ik had iets in beweging gezet. En nu voelde ik onmiddellijk wat mijn woorden bij de ander opriepen.
Bij een televisieprogramma kan ik me volledig overgeven aan de emotie. Ik hoef niets te zeggen, niets te doen. Ik ben getuige van iets wat gebeurt.
In een gesprek ben ik deelnemer. Mijn aanwezigheid, mijn woorden en mijn vragen hebben invloed op wat er gebeurt. En die invloed krijg ik als het ware direct terug.
Daarom werd vragen stellen voor mij iets waar ik eerst over nadacht. Je weet immers nooit wat je met een eenvoudige vraag kunt aanraken.
Eerst kijken, dan bewegen
Als je voortdurend rekening houdt met wat je bij een ander kunt oproepen, verdwijnt er iets vanzelfsprekends uit het contact.
Spontaniteit.
Waar iemand anders zonder nadenken een vraag stelt, ben jij misschien al bezig met de mogelijke antwoorden. Je peilt de stemming, probeert iets van de geschiedenis van die persoon te begrijpen en kijkt of het veilig voelt om iets te zeggen.
Tegen de tijd dat je zover bent, is het moment soms alweer voorbij.
Van buitenaf ziet dat eruit als verlegenheid. Misschien zelfs als afstandelijkheid of desinteresse. Terwijl er vanbinnen juist heel veel aandacht naar de ander uitgaat.
Ik leerde de kat uit de boom kijken.
Observeren gaf me de mogelijkheid om mensen te leren kennen zonder voortdurend zelf iets te hoeven veroorzaken. En hoe vaker ik dat deed, hoe meer ik begon op te merken. Kleine veranderingen in gezichtsuitdrukkingen. Een stem die net anders klinkt wanneer iemand ergens over praat. De manier waarop enthousiasme ineens iets geforceerds kan krijgen.
Ik begon steeds meer te vertrouwen op wat ik waarnam, maar tegelijkertijd werd het sociale contact er niet eenvoudiger op.
Er komt namelijk nog iets bij wanneer je als kind zulke dingen ervaart.
Je hebt vaak geen woorden voor wat je voelt. Je merkt iets op bij iemand, maar de ander zegt dat er niets aan de hand is. Of je ervaart verdriet, spanning of ongemak terwijl iedereen om je heen gewoon verder praat.
Wat moet je dan geloven?
Je eigen ervaring, of de werkelijkheid zoals anderen die beschrijven?
Ik denk dat een deel van mijn onzekerheid daar is ontstaan. Niet uitsluitend door wat anderen deden, maar ook doordat ik niet begreep wat er in mijzelf gebeurde. Ik kon veel voelen, maar wist niet altijd wat ik ermee aan moest. En als je steeds het gevoel hebt dat jouw ervaring afwijkt van die van anderen, ga je uiteindelijk ook aan jezelf twijfelen.
Zo kan een gevoeligheid langzaam iets worden waartegen je jezelf probeert te beschermen.
Voelen voordat je begrijpt
Er bestaat een onderscheid tussen cognitieve en affectieve empathie.
Bij cognitieve empathie kun je begrijpen wat iemand anders voelt en waarom. Je kunt je verplaatsen in diens situatie, zelfs wanneer je zelf die emotie niet ervaart.
Bij affectieve empathie roept de emotie van de ander rechtstreeks iets in jou op. Je voelt mee.
Dat onderscheid hielp me om iets te begrijpen wat jarenlang verwarrend was geweest.
Want wanneer ik bij een begrafenis zo intens huilde, was dat geen bewijs dat ik meer verdriet had dan de nabestaanden. Mijn reactie vertelde iets over de intensiteit waarmee het verdriet van anderen bij mij binnenkwam.
En wanneer ik bij een gesprek voorzichtig werd, betekende dat niet noodzakelijk dat ik bang was voor de persoon tegenover me. Ik wist alleen hoe overweldigend het kon zijn wanneer diens emoties mij onverwacht raakten.
Dat geldt ook voor mijn gevoeligheid voor echtheid.
Ik kan voelen dat er iets verandert wanneer iemand zichzelf begint te presenteren. Maar daarmee weet ik nog niet precies wat er in die persoon omgaat. Ook mijn eigen verwachtingen, ervaringen en gevoeligheden beïnvloeden wat ik waarneem.
Dat onderscheid vind ik belangrijk.
Een gevoel is een werkelijke ervaring, maar niet automatisch een juiste verklaring van de ander.
Ik kan iets opmerken zonder er een oordeel over te hoeven vormen. Ik hoef niet te bewijzen dat iemand onecht is wanneer ik geen verbinding ervaar. Soms is het genoeg om te merken wat er bij mij gebeurt.
Dat geeft ruimte, zowel aan mezelf als aan de ander.
Een andere verhouding
Ik begin steeds beter te begrijpen waarom sommige ervaringen me zo diep raken, terwijl situaties die voor anderen heel gewoon zijn me vroeger zoveel moeite kostten.
De intense vreugde van een onbekende sprinter, het verdriet op een begrafenis, de ontroering tijdens een auditie en de voorzichtigheid waarmee ik ooit een gesprek begon, lijken ineens veel minder los van elkaar te staan.
Er loopt dezelfde gevoeligheid doorheen.
Wat ik jarenlang vooral zag als mijn angst voor mensen, had voor een belangrijk deel te maken met de intensiteit waarmee ik anderen ervoer.
En ik vermoed dat het voortdurende observeren die gevoeligheid verder heeft ontwikkeld. Ik leerde zoveel mogelijk te begrijpen voordat ik zelf iets deed. Een gewoonte die me beschermde, maar me ook mijn spontaniteit kon kosten.
Tegenwoordig merk ik dat ik anders met die ervaring omga. Ik hoef niet meer voortdurend aan mezelf te twijfelen wanneer ik iets voel wat ik niet direct kan verklaren. Ik hoef het ook niet altijd serieus te nemen als een oordeel over de werkelijkheid.
Ik kan het gewoon ervaren.
En juist daardoor begin ik iets terug te vinden wat ik vroeger vaak kwijt was: de vrijheid om aanwezig te zijn zonder eerst alles te hoeven overzien.
Ik huil nog steeds bij de meest uiteenlopende dingen. Bij een overwinning, een onverwacht gebaar, iemand die eindelijk gezien wordt. Soms begrijp ik pas achteraf waarom het me zo raakte.
Dat hoeft ook niet altijd.
Hetzelfde vermogen dat me jarenlang voorzichtig maakte met mensen, laat me ook hun vreugde en verdriet op een manier ervaren die ik voor geen goud zou willen missen.
De kat kijkt nog steeds graag uit de boom.
Maar ze hoeft er niet altijd in te blijven zitten.