PsychologieCirca 4 minuten

Wanneer contact geen contact voelt

Over verlangen naar echte ontmoeting, vastlopen op de buitenkant en de kleine openingen waarin contact vanzelf gaat.

Twee deels met grijsblauwe gaasstof bedekte handen raken elkaar met de vingertoppen op een linnen ondergrond.

Wanneer contact geen contact voelt

Ik noem mezelf weleens gekscherend contactgestoord. Ik ben niet verlegen en vind mensen interessant, maar ik kan midden in een vriendelijk gesprek het gevoel hebben dat we elkaar nauwelijks ontmoeten.

Iemand stelt een vraag, maar lijkt het antwoord niet echt te willen horen. Er wordt gelachen, terwijl ik spanning voel. De woorden geven alle aanleiding om ontspannen mee te doen, maar ergens lukt dat niet. Terwijl het gesprek gewoon doorgaat, begin ik te zoeken naar wat er tussen ons gebeurt.

Wanneer iemand iets zegt, neem ik vanzelf ook waar hoe het wordt gezegd. Of iemand ontspannen lijkt, of er nieuwsgierigheid is, of de aandacht bij het gesprek blijft. Dat gebeurt voordat ik er bewust over nadenk. Zodra die indrukken niet bij de woorden passen, trekken ze mijn aandacht.

Wat wordt er niet gezegd? Is er iets wat voorzichtig benaderd moet worden? Voelt de ander zich ongemakkelijk, of begrijp ik de situatie verkeerd?

Ik kan dat lang niet altijd weten. Toch heeft de onduidelijkheid al invloed op het contact. Mijn aandacht verschuift van wat we samen bespreken naar het begrijpen van de situatie. Ik ben nog in gesprek, maar voel steeds minder waar ik kan aansluiten.

Vroeger betrok ik dat vooral op mezelf. Anderen leken moeiteloos mee te doen, terwijl ik dichtklapte of onzeker werd. Waarom maakte ik iets eenvoudigs zo ingewikkeld? Ik probeerde de juiste dingen te zeggen en vanzelfsprekender te reageren. Daarmee werd ik zelf ook steeds meer bezig met hoe ik overkwam.

De ontmoeting waar ik naar verlangde, raakte zo verder uit beeld.

Veel gesprekken hebben iets van een sociaal ritueel. We stellen vertrouwde vragen, wisselen nieuws uit en houden het aangenaam. Daar kan warmte in zitten. Voor mij ontstaat de betrokkenheid vooral wanneer er ruimte komt voor iets wat nog niet vastligt. Een antwoord dat verrast, een gedachte die tijdens het spreken verandert, een vraag waarop we allebei het antwoord nog niet weten.

Contact voelt dan als een gezamenlijke ontdekking. Het onderwerp hoeft niet bijzonder te zijn. Ook een klein gesprek kan die openheid hebben. Ik merk het aan de ruimte om ergens op door te gaan, om te twijfelen of iets te zeggen wat niet helemaal netjes in het gesprek past.

Bij jonge kinderen ervaar ik dat vaak vanzelf. Ze kunnen ineens iets vragen waar ik zelf nooit op gekomen zou zijn. Hun aandacht beweegt vrijer en wat ze voelen is meestal dichtbij. Ik hoef minder te zoeken naar de verhouding tussen wat er gezegd wordt en wat er gebeurt.

Bij sommige ouderen herken ik een vergelijkbare eenvoud. Het lijkt alsof het minder belangrijk is geworden om een bepaald beeld overeind te houden. Er mag iets onhandigs worden gezegd. Een stilte hoeft niet meteen gevuld. Juist daardoor kan ik me op mijn gemak voelen.

Dat soort contact heb ik soms zo graag gewild dat ik bleef hopen waar weinig wederkerigheid was. Wanneer iemand af en toe iets van zichzelf liet zien, voelde dat als een opening. Ik zag wat er mogelijk leek en bleef daarin investeren, ook wanneer die openheid telkens weer verdween.

Achteraf begrijp ik beter hoe sterk dat verlangen was. Een klein moment van nabijheid kon lang doorwerken. Het maakte het moeilijk om te erkennen dat ik in de relatie vaker aan het zoeken was dan dat we elkaar werkelijk vonden.

Tegelijk ben ik anders gaan kijken naar de bescherming die mensen met zich meedragen. We leren vroeg welk gedrag wordt gewaardeerd, wat we beter voor ons kunnen houden en hoe we ongemakkelijke situaties doorkomen. Er ontstaat een buitenkant waarmee we ons in de wereld bewegen. Die heeft vaak een begrijpelijke geschiedenis.

Ook ik heb geprobeerd zo’n buitenkant te maken. Juist toen ik dacht dat mijn manier van contact maken verkeerd was, deed ik mijn best om gemakkelijker, losser en minder gevoelig over te komen. Daarmee hield ik iets van mezelf terug terwijl ik bij de ander naar openheid zocht.

Die herkenning maakt het verlangen naar contact niet kleiner, maar wel minder hard. Ik hoef niet van iemand te verwachten dat alle bescherming meteen verdwijnt. Vaak is een kleine opening genoeg, zolang er van beide kanten ruimte ontstaat om daarop verder te gaan.

Wanneer dat gebeurt, merk ik hoe weinig moeite contact eigenlijk hoeft te kosten. Er komt humor in het gesprek. Ik word nieuwsgierig en vergeet hoe ik overkom. De aandacht die eerst nodig was om de situatie te begrijpen, is weer beschikbaar voor de ander.

Ik zie mijn moeite met bepaalde gesprekken daardoor minder als een gebrek. Ik weet beter welk contact me voedt en wanneer ik vooral probeer iets gaande te houden. Dat helpt me ook om te herkennen waar mijn verlangen groter is dan wat we samen kunnen dragen.

Ik hoef mezelf niet meer door ieder gesprek heen te duwen. Wanneer er ruimte is om elkaar te ontmoeten, merk ik hoeveel vanzelfsprekender ik aanwezig ben.