Ik zag het wel. Ik vertrouwde alleen niet wat ik zag.
Zien dat er iets niet klopt, en dat niet vertrouwen omdat het nergens bevestigd werd.
Ik zag het wel. Ik vertrouwde alleen niet wat ik zag.
Ik zag laatst een filmpje over system thinkers en mensen die sterk empathisch zijn. Het ging over hoe snel sommige mensen merken dat er iets niet helemaal klopt. Een verandering in een gezicht, een reactie die net buiten de verwachting valt, woorden die niet helemaal overeenkomen met wat iemand uitstraalt. Vaak is er nog niets concreets aan te wijzen. Er wordt alleen iets geregistreerd.
Dat bleef bij me hangen, omdat het op het eerste gezicht niet goed past bij mijn eigen leven.
Als ik mensen zo goed aanvoel, waarom heb ik me dan zo vaak laten leiden door narcistische, manipulatieve of op andere manieren beschadigde mensen? Waarom ben ik zo lang gebleven in situaties waarvan ik achteraf dacht: dit voelde vanaf het begin al vreemd?
Misschien zag ik het veel vaker dan ik dacht. Het probleem zat ergens anders. Ik vertrouwde niet wat ik zag.
Mijn waarneming van mensen werkt zelden als een bewuste analyse. Ik bestudeer niet iemands gezicht om vervolgens conclusies te trekken uit een blik of beweging. Het begint veel kleiner. Een micro-expressie, een antwoord dat iets langer duurt dan verwacht, een vreemde verandering in toon, een grapje dat net niet past bij het moment. Soms is het zo triviaal dat ik er nauwelijks bewust bij stilsta.
Er gebeurt alleen ergens iets als: even onthouden.
Zo’n moment zegt op zichzelf vrijwel niets. Mensen reageren voortdurend onverwacht. Ze zijn moe, onzeker, afgeleid of zitten gewoon even niet lekker in hun vel. Er hoeft dus nog geen verklaring bij.
Later gebeurt er misschien iets anders dat opnieuw een klein beetje buiten de verwachting valt. En daarna nog iets. De afzonderlijke gebeurtenissen verdwijnen grotendeels uit mijn bewuste aandacht, maar lijken ergens wel naast elkaar te blijven liggen.
Langzaam ontstaat er een web.
Dat verklaart ook waarom het soms zo moeilijk is om achteraf te vertellen waarom ik iets van iemand weet. Ik kan voorbeelden noemen, maar die voorbeelden leggen het patroon niet uit. Ze zijn slechts een paar zichtbare punten ervan. Wat ik herken zit juist in de verhouding tussen al die punten, in de herhaling, de context en de subtiele afwijkingen door de tijd heen.
Dat lijkt sterk op hoe ik andere systemen begrijp. Je begrijpt een voetbalwedstrijd ook niet door alle balcontacten afzonderlijk op te sommen. Wie het spel kent, ziet ruimte ontstaan, merkt dat het ritme verandert en voelt soms aankomen wat er gaat gebeuren voordat hij precies onder woorden kan brengen waarom. Niet doordat hij de toekomst kent, maar omdat hij een samenhangend patroon herkent.
Bij mensen gebeurt iets vergelijkbaars. Gezichtsuitdrukking, taal, timing, gedrag, eerdere interacties en kleine inconsistenties vormen samen een informatielaag die veel rijker is dan de losse onderdelen.
Op een gegeven moment kan daaruit iets ontstaan wat ik een impliciete waarheid zou noemen. Ik weet iets, zonder dat ik de volledige redenering die eraan voorafging bewust kan reconstrueren. De herkenning lijkt eerder klaar te zijn dan de taal waarmee ik haar zou kunnen uitleggen.
Dat maakt zo’n waarneming niet onfeilbaar. Eerdere ervaringen kunnen meespreken. Angst kan iets kleuren. Een verwachting kan verkeerd blijken. Juist daarom is dat eerste kleine signaal nog geen oordeel. Het is een reden om aandachtig te blijven en te kijken wat er daarna gebeurt.
Vroeger gebeurde er na zo’n signaal iets heel anders.
Als een situatie vreemd voelde, richtte mijn aandacht zich vrijwel onmiddellijk op mezelf. Ik vroeg me af wat ik verkeerd deed, of ik meer begrip moest tonen, minder ruimte moest innemen, iets liever moest zijn of me beter moest aanpassen.
Het ongemak werd zo geen informatie over wat er om mij heen gebeurde. Het werd een aanwijzing dat er iets aan mij gecorrigeerd moest worden.
Dat had veel te maken met hoe ik liefde was gaan begrijpen. Liefde raakte verbonden met aanpassen, nuttig zijn, begrijpen en geven. Wanneer iemand afstandelijk werd of wanneer er spanning ontstond, voelde dat daardoor als een uitnodiging om harder mijn best te doen. Ik probeerde de verbinding te herstellen voordat ik mezelf de vraag stelde waarom die verbinding überhaupt zo voelde.
Juist op momenten waarop mijn waarneming iets belangrijks probeerde te vertellen, kon ik daardoor verder bij mezelf vandaan bewegen.
Dat maakt ook begrijpelijk hoe iemand anders zoveel invloed kan krijgen op je beeld van wat er gebeurt. Je merkt spanning op, terwijl de ander zegt dat er niets aan de hand is. Je voelt dat woorden en gedrag niet goed op elkaar aansluiten, maar krijgt voor ieder afzonderlijk voorval een plausibele verklaring. Als je ondertussen hebt geleerd dat ongemak waarschijnlijk iets zegt over je eigen tekortkomingen, krijgt de uitleg van de ander gemakkelijk meer gewicht dan je eigen ervaring.
Daar zat voor mij de verwarring.
Mijn gevoeligheid werkte wel. Alleen leidde vrijwel ieder signaal terug naar dezelfde vraag: wat moet ik veranderen?
Nu blijft mijn aandacht vaker bij wat er gebeurt.
Als ik iets opmerk in een gesprek hoef ik er niet onmiddellijk betekenis aan te geven. Ik kan het laten staan. Misschien blijkt het later niets te zijn. Misschien begrijp ik iemand beter en verdwijnt mijn eerste gevoel vanzelf. Soms komt er juist een volgende waarneming bij en begint er langzaam een herkenbaar patroon te ontstaan.
Doordat ik niet meteen naar mezelf terugschiet, ontstaat er meer ruimte om mensen te zien.
Ik merk bijvoorbeeld wanneer stelligheid iets onzeker krijgt, wanneer een gezicht iets anders vertelt dan de woorden, of wanneer er onder een bepaalde reactie angst lijkt te zitten. Ik hoef vervolgens niet meteen iets met die informatie te doen. Ik kan haar gewoon meenemen terwijl ik blijf kijken.
Daar is voor mij ook iets veranderd in wat empathie betekent.
Meevoelen is waardevol, maar wanneer alles wat je bij een ander waarneemt onmiddellijk je eigen emotionele werkelijkheid binnenkomt, wordt voelen verwarrend. Je gaat reageren op spanning die misschien helemaal niet van jou is, of probeert iets op te lossen wat niet door jou veroorzaakt is.
Veel bruikbaarder wordt het wanneer je kunt voelen en tegelijk bij jezelf kunt blijven.
Dan kan ik merken dat iemand gespannen is zonder meteen te zoeken naar wat ik verkeerd heb gedaan. Ik kan afwijzing voelen zonder daaruit een oordeel over mezelf te maken. Ik kan begrijpen waar bepaald gedrag vandaan komt zonder mezelf verantwoordelijk te maken voor wat iemand ermee doet.
Emotie wordt dan informatie.
Misschien raken empathie en system thinking precies daar aan elkaar. In beide gevallen gaat het niet alleen om losse gebeurtenissen, maar om relaties tussen gebeurtenissen. Om kleine afwijkingen, veranderingen door de tijd heen en structuren die langzaam zichtbaar worden.
Het interessante is dat mijn gevoeligheid hierdoor volgens mij niet groter is geworden. Er zit alleen minder ruis tussen de waarneming en wat ik ermee doe.
Vroeger leidde een vreemd gevoel bijna vanzelf naar mezelf: wat moet ik veranderen zodat dit weer goed voelt?
Nu kan ik langer bij een eenvoudigere vraag blijven: wat gebeurt hier?
Daardoor hoef ik mezelf niet meer te verlaten om een ander te begrijpen. Ik kan voelen wat ik voel, blijven kijken en mijn waarneming de tijd geven om zichzelf te bevestigen of te corrigeren.
En wanneer al die kleine signalen uiteindelijk samen een patroon vormen, hoef ik ook niet ieder afzonderlijk feit te kunnen reproduceren om dat patroon serieus te nemen. Soms weet ik iets voordat ik precies kan uitleggen hoe ik het weet.
Dat is geen reden om ieder gevoel tot waarheid te verheffen.
Het is wel een reden om niet meer automatisch weg te kijken.
Misschien zag ik het al die tijd veel vaker dan ik dacht. Alleen voelde iets vreemd, en concludeerde ik dat ik mezelf nog niet genoeg had aangepast.
Nu mag datzelfde gevoel eerst gewoon informatie zijn.
En daardoor kan ik eindelijk blijven kijken.