Persoonlijke ervaringCirca 18 minuten

Wat ik vond toen ik alles verloor

Wat overbleef toen alles wegzakte: geen herstelplan, maar liefde die droeg.

Een grote en twee kleine houten stoelen staan rond een eenvoudige tafel in een warm verlichte, deels onuitgepakte kamer.

Wat ik vond toen ik alles verloor

De kinderen voelden het voordat ik iets had gezegd.

Ik zat bij mijn ouders op de bank en probeerde een tijdschrift te lezen, maar mijn gedachten lieten me niet los. Mijn kinderen kwamen tegen me aan zitten. Ze wisten dat er iets was. Kinderen voelen dat soort dingen vaak eerder dan volwassenen, zeker mijn kinderen. Ze hoefden niets te vragen. Ze kwamen gewoon dichterbij.

Dat brak iets open.

Ik ging boven op bed liggen omdat ik geen controle meer had over wat er gebeurde. Ik huilde en bleef huilen. Het voelde alsof ik steeds dieper wegzakte, tot ik op een plek kwam waar ik nog nooit eerder was geweest.

Ik kende diepe putten. Ik was er vaker uitgeklommen. Er kwam altijd weer een moment waarop ik mezelf bij elkaar raapte en dacht: kom op, schouders eronder, we gaan weer verder.

Deze keer kwam dat moment niet.

Ik kon mezelf niet meer dragen.

Ik zag het bijna voor me. Een diepe put, met ergens onderin een grens. Ik wist dat als ik daar overheen zou gaan, ik misschien niet meer terug zou komen. Het vreemde was dat ik niet eens meer in paniek was. Ik was moe. Niet alleen moe van wat er op dat moment gebeurde, maar van alles wat ik al jaren probeerde vast te houden.

Wie ik dacht dat ik moest zijn. Wat mijn leven had moeten worden. Alles wat ik nog moest herstellen, bewijzen en oplossen.

Ik liet mezelf gaan.

Toen verschenen mijn kinderen als een beeld in mijn hoofd.

Ik dacht alleen:

O ja.

Dan blijven we voor hen.

Dat was geen heldhaftig besluit. Ik vond geen nieuwe levenskracht en stond niet plotseling op met een plan. Voor mijzelf hoefde het niet meer. Maar ik kon hen niet alleen achterlaten. Zij hadden iemand nodig die bleef.

Dus bleef ik.

Later zat ik met hen in de auto. Ik keek in de achteruitkijkspiegel en zag hun gezichten op de achterbank. Op dat moment kwam er een vreemde rust over me.

Vanaf nu waren deze twee alles wat ik nodig had.

Niet als mooie gedachte, of als iets wat ik mezelf vertelde om de dag door te komen. Het was een constatering. Alles wat daarvoor zo belangrijk had geleken, was weggevallen. Mijn toekomstbeeld, mijn verlangens, de persoon die ik probeerde te zijn. Er was alleen nog wat zich op dat moment voor mij bevond.

Twee kinderen, een veilige plek, zorgen dat zij het goed hadden.

Dat was genoeg.

Wat er achterbleef

De weken daarna gingen grotendeels in een waas voorbij.

Ik moest verhuizen. Er moesten spullen worden ingepakt, dingen geregeld, formulieren ingevuld en kamers ingericht. Ik heb nog steeds geen goed beeld van hoe ik dat allemaal heb gedaan. Mijn buitenwereld draaide op een soort automatische piloot. Ik deed wat nodig was, maar vanbinnen gebeurde iets anders.

Ik had het gevoel dat ik mezelf in die put had achtergelaten.

Niet mijn hele zelf, maar alles waar ik mezelf tot dan toe mee had geïdentificeerd. Mijn dromen, mijn behoeftes, mijn bewijsdrang, mijn angst om alleen te zijn, mijn voortdurende zoektocht naar iemand die mij begreep.

Het was alsof ik daar niet langer de kracht voor had.

Dat klinkt somberder dan het voelde. Er zat ook opluchting in. Ik hoefde even niets meer te worden. Ik hoefde geen leven te redden dat ik niet meer kon dragen. Ik hoefde alleen maar te zorgen voor wat er direct voor mij stond.

Ik begon een thuis voor ons te bouwen.

Niet het thuis waarvan ik vroeger dacht dat ik het nodig had. Geen groot verhaal over hoe een gezin eruit hoorde te zien. Gewoon een plek waar drie mensen veilig konden zijn. Waar verdriet niet verstopt hoefde te worden. Waar een kind boos mocht zijn zonder bang te hoeven zijn dat de liefde daarna verdween. Waar we fouten konden maken en de volgende dag opnieuw konden beginnen.

In het begin deed ik dat alleen voor hen.

Pas later begreep ik dat ik die plek ook voor mezelf bouwde.

Een stem die er al was

De rustige stem die later zo belangrijk werd, was niet pas na die dag ontstaan.

In de periode ervoor was ik wanhopig bezig geweest om beter te worden. Ik probeerde van alles. Ik las, schreef, zocht, dacht na en gebruikte af en toe een kleine dosis psilocybine. Niet omdat ik wist waar ik mee bezig was, maar omdat ik ergens een opening zocht.

Op een dag kwam er een zin in mij op:

Om moedig te zijn, moet je je angsten in de ogen kijken.

De zin bleef zich herhalen.

Ik weet niet waar hij vandaan kwam. Misschien had ik hem ooit ergens gehoord. Misschien vormde mijn hoofd hem uit alles wat ik al wist. Dat maakt voor mij niet zoveel uit. Er zat iets in die zin wat ik op dat moment nodig had.

Vanaf toen begon ik meer op die innerlijke beweging te letten.

Soms zat ik in de auto en voerde ik hele gesprekken met mezelf. Soms gebeurde het op de loopband. Er was een deel van mij dat vragen stelde, twijfelde en bang was, en er was een ander deel dat antwoord gaf.

Dat tweede deel was rustig. Het hoefde niets te bewijzen. Het werd niet boos wanneer ik iets niet begreep. Soms legde het iets uit, soms hield het me een spiegel voor en soms wees het mij gewoon een richting.

De antwoorden gingen niet altijd over God, bewustzijn of de betekenis van het leven. Soms gingen ze over iets heel concreets.

Ik stond een keer op de loopband en zag in de spiegel dat mijn houding niet goed was. Ik had al van alles geprobeerd. Ineens kwam de gedachte op: rek de voorkant van je bovenbenen.

Mijn eerste reactie was bijna geïrriteerd. Ik had het over mijn rug. Wat hadden mijn bovenbenen daarmee te maken?

Toen volgde er in mijn hoofd een uitleg. Als ik mijn hoofd rechter hield, merkte ik dat ik naar achteren leunde. Om mijn onderrug recht te krijgen, moest mijn bekken kantelen. Zodra ik dat deed, voelde ik de spanning aan de voorkant van mijn bovenbenen.

Daar zat de beperking.

Het was geen bovennatuurlijke openbaring. Mijn lichaam en mijn onderbewuste hadden waarschijnlijk allang verbanden gelegd die mijn bewuste denken nog niet had gevolgd. Maar zo voelde het steeds vaker. Informatie meldde zich eerst als een rustig weten en werd daarna pas uitgelegd.

Alsof een dieper deel van mij al bij het antwoord was aangekomen.

Ben ik mijn verstand aan het verliezen?

Dat klinkt mooi wanneer ik het nu rustig opschrijf. Op dat moment was het soms beangstigend.

Mijn hele wereldbeeld begon in korte tijd te veranderen. Ik zag patronen in mijn eigen gedrag die ik nooit eerder had gezien. Ik begon te begrijpen waarom ik mezelf in relaties voortdurend had opgegeven. Waarom ik zo bang was voor het oordeel van anderen. Waarom ik altijd iemand nodig dacht te hebben die mij vertelde waar ik naartoe moest.

Ik zag hoe mijn gevoeligheid mij als kind had geleerd om een ruimte binnen enkele seconden te lezen. Gezichten, spanning, onzekerheid, oordeel. Ik voelde dingen zonder ze te kunnen verklaren en nam automatisch aan dat ik iets verkeerd had gedaan.

Dus paste ik me aan.

Dat werd mijn manier om veilig te blijven. Ik werd goed in voelen wat anderen nodig hadden. Goed in mezelf veranderen voordat iemand mij kon afwijzen. Goed in nodig zijn. Maar ik wist steeds minder wie er overbleef wanneer er niemand was aan wie ik mij kon aanpassen.

Toen al die patronen zichtbaar werden, leek het soms alsof de grond onder mijn voeten verdween.

Ik dacht regelmatig: Wat gebeurt hier? Word ik gek?

En dan gebeurde er iets kleins.

Iemand zei in een gesprek precies iets waar ik die ochtend over had nagedacht. Er verscheen een video die aansloot op een vraag waarmee ik rondliep. Ik sloeg een boek open en herkende in een paar zinnen wat ik zelf nog niet onder woorden had kunnen brengen.

Misschien was een deel daarvan selectieve aandacht. Wanneer je met een onderwerp bezig bent, zie je het sneller terug in je omgeving. Ik hoef daar geen sluitende bovennatuurlijke verklaring voor te hebben.

De ervaring was dat ik vragen stelde en steeds opnieuw materiaal vond waarmee ik verder kon.

De twijfel verdween daardoor niet voorgoed. Wel ontstond er vertrouwen.

Steeds wanneer mijn angst zei dat dit niet kon kloppen, was er een rustigere laag die zei:

Wees niet bang. Kijk maar.

Dus keek ik.

Herkennen wat anderen al hadden gezien

Ik begon veel te lezen.

Jung, Spinoza, Jezus, Boeddha, filosofen, mystici, psychologen en wetenschappers. Religies en spirituele tradities. Bewustzijnsonderzoek en quantumfysica. Niet alles bleek even overtuigend en niet iedere conclusie hield stand, maar overal vond ik stukken die aansloten op iets wat in mijzelf al vorm had gekregen.

Het voelde zelden alsof iemand mij een compleet nieuw idee gaf. Het voelde als herkenning.

Bij Jung herkende ik de beweging naar een dieper Zelf dat niet samenviel met de persoonlijkheid die ik in de loop van mijn leven had opgebouwd. Bij Spinoza vond ik een God die niet op afstand stond, maar aanwezig was in alles wat bestaat. Bij Boeddha herkende ik het lijden dat ontstaat wanneer we ons vastgrijpen aan wat voortdurend verandert.

En in de woorden van Jezus begon ik iets te zien wat ik als kind nooit had begrepen.

Het Koninkrijk was niet alleen een beloning die ergens na dit leven op mij wachtte. Het was ook een manier van zijn. Iets wat vanbinnen begint en zich vervolgens naar buiten vertaalt.

Ik las niet om een nieuwe overtuiging te kiezen. Ik zocht naar mensen die woorden hadden gevonden voor wat ik zelf probeerde te begrijpen.

Hoe meer ik las, hoe vaker ik dacht:

Zie je wel. Dit bedoel ik. Hij zag het ook.

Niet omdat iedereen hetzelfde zei. De verschillen zijn groot en veel ideeën spreken elkaar tegen. Maar onder al die woorden herkende ik steeds dezelfde richting.

Kijk naar binnen. Onderzoek wat je bang maakt. Laat los wat je denkt te moeten zijn. Zoek liefde niet alleen buiten jezelf.

Het eerste zichtbare bewijs

De belangrijkste bevestiging vond ik uiteindelijk niet in boeken.

Ik zag haar in mijn kinderen.

Op een dag zei ik dat ze gewoon brutaal tegen mij durfden te doen.

Ze antwoordde:

“Ja, omdat ik jou vertrouw papa.”

Die zin raakte me. Niet omdat ik wilde dat mijn kind brutaal was, maar omdat ze mij zonder aarzeling vertelde dat ze zich veilig genoeg voelde om zichzelf te laten zien. Ze wist dat mijn liefde niet afhankelijk was van perfect gedrag.

Een andere avond zei ze vlak voor het slapen:

“Papa, ik voel me veilig met jou.”

Daar had ik geen filosofie meer bij nodig.

Op een avond lag ik naast haar en vroeg hoe het met haar ging. We kwamen tot de eenvoudige conclusie dat het met haar goed ging. Met Amos ook. En met mij.

“Het gaat goed met ons drieën,” zei ik.

Ze sloeg haar arm om me heen en legde haar vlakke hand op mijn rug.

Dat moment was klein. Geen groot inzicht, geen visioen, geen boek dat openviel op de juiste bladzijde. Alleen mijn dochter en ik in een slaapkamer.

Maar daar werd zichtbaar wat er in mij was veranderd.

Ik was niet langer alleen bezig mijn kinderen tegen de wereld te beschermen. Ik probeerde ze iets te geven wat ik zelf lang had gemist: vertrouwen in wat er in henzelf leefde.

Ik vroeg naar hun mening. Ik liet ze verdriet voelen zonder het onmiddellijk op te lossen. Ik corrigeerde mezelf waar ze bij waren wanneer ik vanuit irritatie of angst reageerde. Ik wilde niet dat ze leerden dat liefde verdween zodra ze lastig, boos, verdrietig of anders waren.

Langzaam zag ik hen opbloeien.

En terwijl ik hen hielp zichzelf te vertrouwen, leerde ik hetzelfde.

Hoe mijn leven er van buiten uitziet

Ik begrijp hoe mensen mijn leven kunnen bekijken.

Er is minder geld dan vroeger. Ik zorg alleen voor twee kinderen. Er is geen partner naast mij. De kinderen hebben dingen meegemaakt die geen enkel kind zou hoeven meemaken. Er zijn praktische zorgen en verantwoordelijkheden waar ik niet omheen kan.

Die feiten zijn niet verdwenen.

Alleen betekenen ze voor mij niet meer wat ze vroeger zouden hebben betekend.

Wanneer iemand ziet dat ik minder geld heb, kan hij daar gebrek en onzekerheid in zien. Ik ervaar dat anders. We leven eenvoudiger, maar ik voel me niet arm. Er is eten, warmte, een huis dat van ons is en ruimte om de dingen te doen die belangrijk voor ons zijn. Ik heb niet alles, maar ik ervaar voor het eerst dat ik genoeg heb.

Dat bedoel ik wanneer ik spreek over overvloed.

Niet dat er voortdurend geld uit de lucht komt vallen. Niet dat praktische grenzen niet bestaan. Overvloed is voor mij het verdwijnen van het gevoel dat mijn leven pas compleet kan zijn wanneer ik meer bezit.

Mensen zien een vader die er alleen voor staat.

Ik zie de mogelijkheid om iedere dag samen met mijn kinderen een thuis te vormen. Natuurlijk is het soms veel. Ik werk, kook, was, ruim op, regel schoolzaken en probeer ondertussen ook nog een mens te zijn. Maar het maakt me intens gelukkig om dit te mogen doen.

Niet omdat alleenstaand ouderschap gemakkelijk is, maar omdat ik weet waarvoor ik het doe.

Mensen zien dat ik niemand naast mij heb.

Vroeger zou ik dat zelf als leegte hebben ervaren. Ik verlangde mijn hele leven naar verbinding. Naar iemand die mij volledig begreep en mij eindelijk het gevoel gaf dat ik thuis was. Voor die belofte gaf ik veel van mezelf op.

Nu vind ik het heerlijk om mijn leven zelf in te richten.

Dat betekent niet dat ik nooit meer van iemand wil houden. Liefde is niet minder belangrijk geworden. Ik heb alleen niemand meer nodig om mij van mezelf te redden. Een ander hoeft niet meer het bewijs te leveren dat ik goed genoeg ben.

Daardoor kan liefde ooit vrijer worden. Met minder vasthouden, minder aanpassen en minder angst voor het einde.

Mensen kijken misschien naar mijn kinderen en zien vooral trauma.

Ik ontken niet wat er gebeurd is. Sommige wonden zijn diep en zullen tijd nodig hebben. Maar ik zie ook iets anders. Wij hebben iedere dag de kans om naar onszelf te kijken. Om te praten, te huilen, fouten toe te geven en patronen niet opnieuw door te geven.

We hoeven niet te doen alsof er niets gebeurd is.

We mogen erdoorheen groeien.

Geluk zonder ontkenning

Dat ik gelukkig ben, betekent niet dat ik geen moeilijke dagen meer heb.

Ik kan nog steeds geraakt worden. Soms schiet een oude angst omhoog. Soms knijpt mijn keel dicht wanneer ik iets persoonlijks wil zeggen. Soms voel ik verdriet over wat verloren is gegaan of boosheid over iets wat gebeurd is.

Het verschil is dat zo’n gevoel niet langer automatisch bewijst dat mijn leven verkeerd loopt.

Ik hoef er niet meteen voor weg te rennen. Ik hoef het ook niet op iemand anders af te reageren. Ik kan het voelen en proberen te begrijpen wat het mij laat zien.

Toen Amos een keer na school werd buitengesloten door zijn beste vriend, zag ik zijn hart breken. Hij probeerde zich groot te houden, zocht een paar keer oogcontact en barstte uiteindelijk op mijn schoot in huilen uit.

We deden niet alsof het niet erg was.

We praatten. Hij werd boos en verdrietig. We liepen samen naar het huis van zijn vriend omdat hij verhaal wilde halen. Onderweg vertelde hij wat er die dag nog meer was misgegaan.

Daarna besloten we samen om er alsnog een mooie dag van te maken.

Dat is voor mij geen geforceerd positief denken. Het verdriet mocht bestaan. Het hoefde alleen niet de rest van de dag, of zijn beeld van zichzelf, over te nemen.

Misschien is dat wat er in mijzelf ook veranderde.

Pijn is niet verdwenen. Zij heeft alleen haar recht verloren om het hele verhaal te vertellen.

Van binnen naar buiten

Mijn hele leven dacht ik dat geluk van buiten naar binnen werkte.

Als iemand van mij hield, kon ik van mezelf houden. Als ik genoeg erkenning kreeg, kon ik geloven dat ik iets waard was. Als ik succes had, genoeg geld verdiende of eindelijk de juiste relatie vond, zou er rust ontstaan.

Op de dag dat ik alles opgaf, viel die richting weg.

De buitenwereld kon mij niets meer beloven. Ik had geen energie meer om haar te overtuigen mij gelukkig te maken. En in de ruimte die daardoor ontstond, begon iets vanbinnen te groeien.

Liefde voor mezelf.

Dat klinkt eenvoudiger dan het was. Het begon niet met voor de spiegel zeggen dat ik geweldig was. Het begon met ophouden mezelf te verlaten. Luisteren wanneer ik moe was. Mijn grenzen serieus nemen. Niet meer automatisch aannemen dat het oordeel van een ander meer waard was dan mijn eigen ervaring.

Langzaam verloor de angst haar vaste positie.

Misschien verdwijnt angst niet doordat we haar verslaan. Misschien verdwijnt zij wanneer er voldoende liefde ontstaat.

Liefde die zegt dat je niet eerst iemand anders hoeft te worden. Dat je een fout mag maken zonder als mens fout te zijn. Dat je verdriet mag voelen zonder dat je leven mislukt is. Dat je alleen mag zijn zonder verlaten te zijn.

Vanuit die liefde veranderde ook mijn blik naar buiten.

Dankbaarheid werd geen oefening die ik iedere ochtend moest uitvoeren. Zij verscheen vanzelf. Liefde voor anderen werd minder afhankelijk van wat zij mij terug konden geven. Ik kon mensen meer zien als mensen met hun eigen angsten, overtuigingen en wonden, zonder iedere reactie op mijzelf te betrekken.

Dat maakt mij niet onaantastbaar en ook niet altijd wijs. Ik kan nog steeds oordelen, boos worden en oude patronen herhalen. Het verschil is dat ik ze sneller herken en niet meer hoef te doen alsof ze de waarheid zijn.

Ik heb alles al wat nodig is om heel te zijn.

Daarom hoeft een ander het gat niet meer te vullen.

Het Koninkrijk is hier

Pas vanuit die ervaring begon ik te begrijpen wat Jezus volgens mij bedoelde met het Koninkrijk.

Niet een verre plek die alleen bereikbaar is wanneer je aan de juiste voorwaarden voldoet. Niet een beloning voor goed gedrag.

Het Koninkrijk begint op de plek waar angst niet langer bepaalt hoe je naar jezelf, anderen en het leven kijkt.

Vanbinnen, en daardoor ook vanbuiten.

De wereld waarin ik nu leef is feitelijk dezelfde wereld als twee jaar geleden. Mensen doen nog steeds pijnlijke dingen. Geld moet nog steeds verdiend worden. Kinderen worden verdrietig. Relaties eindigen en lichamen worden moe.

Maar wanneer ik die wereld niet meer voortdurend bekijk vanuit de angst dat zij iets over mijn waarde zegt, verschijnt er iets wat daarvoor verborgen bleef.

Een huis waarin mijn kinderen veilig zijn. Een hand op mijn rug. Een vraag van Amos waar ik nooit zelf op was gekomen. Een stille autorit. Een zon die boven het water opkomt. Genoeg eten op tafel. De vrijheid om te creëren. De mogelijkheid om vandaag iets beter te doen dan gisteren.

Het Koninkrijk kwam niet uit de lucht naar beneden.

Ik begon te zien dat ik er al middenin stond.

De plotwending

Sinds die dag heb ik honderden keren gehuild.

Vaak bijna iedere dag.

Niet uit pijn, maar uit dankbaarheid.

Soms gebeurt het in de auto. Soms tijdens een wandeling. Soms lig ik ’s avonds in bed en dringt het opnieuw tot me door wat er gebeurd is.

Op het moment dat ik dacht dat ik alles verloor, stond iets bij mij op de stoep waarvan ik allang niet meer verwachtte dat het bestond.

Niet alleen geluk, maar een heel andere manier van leven.

Het voelt nog steeds als een onverwacht cadeau. Iets wat ik niet verdiend of gepland heb. Ik heb er hard voor gewerkt, maar ik heb het niet zelf bedacht. De eerste opening ontstond toen ik niet langer de kracht had om vast te houden.

Daarom wil ik dit vertellen aan de mensen die mij van buiten kennen.

Niet zodat zij denken: gelukkig, Bert redt zich wel.

Dat zou de omvang ervan missen.

Ik ben niet iemand die dapper probeert het beste te maken van een kleiner geworden leven. Mijn leven is vanbinnen groter geworden dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.

Ik begrijp dat de feiten soms een ander verhaal lijken te vertellen.

Minder geld. Geen partner. Alleen met twee kinderen. Een verleden waarin veel kapot is gegaan.

Maar kijk niet alleen naar wat er verdwenen is.

Ik verloor de persoon die dacht dat hij liefde, veiligheid en waarde buiten zichzelf moest vinden. De persoon die zich voortdurend aanpaste, zichzelf verliet en hoopte dat iemand anders hem uiteindelijk thuis zou brengen.

Wat ik daarvoor terugvond, was geen verbeterde versie van diezelfde persoon.

Ik vond degene naar wie ik mijn hele leven op zoek was.

Mijzelf.

En vanuit die plek begon ook de wereld om mij heen te veranderen. Niet doordat de feiten verdwenen, maar doordat liefde hun betekenis veranderde.

Wat ik vond toen ik alles verloor, was niet alleen een reden om te blijven.

Het was een leven waarvan ik niet wist dat het mogelijk was.

Sindsdien leef ik niet alsof ik gered ben van mijn leven.

Ik leef alsof ik er voor het eerst werkelijk in ben aangekomen.