ReligieCirca 10 minuten

Wat bedoelen we wanneer we God zeggen?

Over het verschil tussen goden die binnen de werkelijkheid verschijnen en God als de werkelijkheid waarin alles bestaat.

Donkere stenen en bronzen vormen rusten en zweven binnen één doorlopend landschap van licht doorschijnend mineraal.

Wat bedoelen we wanneer we God zeggen?

Er is een moment in het verhaal van Mozes dat zo vertrouwd is geworden dat we bijna niet meer merken hoe vreemd het is.

Hij ziet een struik die in brand staat zonder te verbranden. Vanuit het vuur wordt hij aangesproken. Later trekt er een aanwezigheid met het volk mee door de woestijn, overdag zichtbaar als een wolk en ’s nachts als vuur. Wanneer Mozes de berg Sinaï beklimt, raakt de top bedekt met rook. Er klinkt donder. Het volk moet afstand houden. Mozes verdwijnt in de aanwezigheid op de berg en keert terug met kennis die de basis moet vormen voor een nieuwe samenleving.

We hebben geleerd dit alles onder één woord te plaatsen: God.

Dat woord is zo groot dat het de vreemdheid van de gebeurtenissen volledig in zich opneemt. Zodra we zeggen dat God sprak vanuit het vuur, lijkt verdere uitleg overbodig. God kan immers verschijnen zoals Hij wil.

Toch gebeurt er iets wanneer we het woord even weghalen en alleen kijken naar wat het verhaal beschrijft.

Er verschijnt een aanwezigheid. Zij beweegt mee met een groep mensen, geeft aanwijzingen, beschermt, straft en onderwijst. Ze beschikt over kennis en vermogens die voor de mensen om haar heen nauwelijks te bevatten zijn. Soms is ze zichtbaar. Soms verdwijnt ze. Ze heeft een eigen positie, een eigen stem en een eigen wil.

Ook elders in de Bijbel verschijnen zulke aanwezigheden.

Ezechiël ziet vuur, licht en iets wat glanst als metaal. Hij beschrijft levende wezens en merkwaardige wielen die zich in verschillende richtingen kunnen bewegen. Zijn woorden zijn gedetailleerd en tegelijk moeilijk te volgen, alsof hij iets probeert vast te leggen waarvoor zijn taal geen passende begrippen bevat.

Henoch wordt weggenomen en ontvangt kennis over de sterren, de seizoenen en de ordening van de hemel. Elia verdwijnt in een stormwind nadat vurige paarden en een strijdwagen tussen hem en Elisa zijn verschenen. Genesis spreekt soms in het meervoud. In Psalm 82 staat God te midden van andere goden.

De hemel van de Bijbel is niet leeg. Er verschijnen wezens. Ze spreken, reizen, overleggen, onderwijzen, waarschuwen en grijpen in.

Toch noemen we bijna alles wat daar gebeurt God.

Twee richtingen

Wanneer David tegenover Goliath staat, gebeurt er iets anders.

Er daalt geen vuur neer. Er verschijnt geen wolk en er klinkt geen stem die hem vertelt wat hij moet doen. David krijgt niets aangereikt wat hij daarvoor niet bezat.

Hij ziet dezelfde reus die alle anderen zien. Goliath is groter, sterker en beter bewapend. De soldaten vergelijken hun eigen kracht met die van hem en weten wat de uitkomst zal zijn.

David kijkt anders.

Hij probeert zichzelf niet groter te maken dan hij is. Hij lijkt ook niet bezig te zijn met wat een nederlaag over hem zou zeggen. Terwijl de anderen alleen de omvang van Goliath zien, merkt David ook diens beperking op. De reus is zwaar en traag. David kiest daarom geen gevecht op Goliaths voorwaarden. Hij gebruikt wat hij kent en handelt voordat angst de werkelijkheid voor hem kan vernauwen.

God verschijnt hier niet tegenover David.

God wordt zichtbaar in de helderheid waarmee David handelt.

Bij Jezus krijgt die beweging haar volledigste vorm. Hij spreekt over de Vader die in hem woont en door hem heen werkt. Het koninkrijk waarnaar hij verwijst, ligt niet op een verre plaats. Het verschijnt in de manier waarop een mens kijkt, handelt en zich tot een ander verhoudt.

Jezus raakt mensen aan die door anderen worden vermeden. Hij doorbreekt de grens tussen rein en onrein, waardig en onwaardig, vriend en vijand. In hem wordt iets zichtbaar wat niet voortdurend rond zelfbescherming georganiseerd is.

Er komt geen wezen naar hem toe om hem een wet te overhandigen. De wet lijkt in hem tot leven te zijn gekomen.

In het ene verhaal daalt er iets neer. Het verschijnt, spreekt en draagt kennis over.

In het andere verhaal beweegt er iets door een mens heen naar buiten. Het wordt zichtbaar als vertrouwen, wijsheid, liefde of een helder handelen dat niet langer volledig door angst wordt bestuurd.

Beide ervaringen worden God genoemd.

Maar ze hebben niet dezelfde vorm.

De goden en God

Misschien hebben we met één woord twee werkelijkheden samengevoegd.

De eerste bestaat uit wezens of intelligenties die binnen de werkelijkheid verschijnen. Ze kunnen ergens aankomen en weer vertrekken. Ze beschikken over een eigen bewustzijn en kunnen verder ontwikkeld zijn dan de mensen die hen ontmoeten.

De tweede neemt geen afzonderlijke plaats in. Deze God is geen wezen tussen andere wezens, hoe machtig ook. God is de werkelijkheid waarin ieder wezen bestaat.

De goden zijn vormen binnen het geheel.

God is het geheel zelf.

Vanuit onze tijd kunnen we ons gemakkelijker voorstellen dat een intelligent wezen niet menselijk en toch ook niet goddelijk hoeft te zijn. Stel dat een wezen uit een ander deel van het universum zich aan ons zou tonen. Het beschikt over kennis die onze wetenschap ver vooruit is. Het kan zich bewegen op manieren die wij niet begrijpen en leert ons iets over energie, landbouw of de sterren.

We zouden onder de indruk zijn. Sommigen zouden bang worden. Anderen zouden het willen volgen of vereren.

Maar we hebben inmiddels een woord voor een intelligentie die niet van deze aarde afkomstig is.

We zouden haar buitenaards noemen.

De mensen die de verhalen rond Mozes, Ezechiël of Henoch vastlegden, hadden dat begrip niet. Zij kenden geen planeten en technologische beschavingen zoals wij die nu kunnen voorstellen. Wanneer een machtig wezen uit de hemel verscheen, kennis overdroeg en daarna weer verdween, was god misschien het enige woord dat groot genoeg was.

Daarmee is niet bewezen dat de Bijbel ontmoetingen met buitenaardse wezens beschrijft. De verhalen kunnen symbolisch zijn. Ze kunnen zijn ontstaan uit visioenen, natuurverschijnselen, vergeten menselijke culturen of bewustzijnstoestanden waarvoor ook onze huidige taal tekortschiet.

We hoeven die vraag niet definitief te beantwoorden om het onderscheid te kunnen zien.

Wat binnen de werkelijkheid verschijnt, kan nooit de volledige werkelijkheid zijn.

Een wezen kan ouder, wijzer of machtiger zijn dan wij. Het kan over vermogens beschikken die voor ons bovennatuurlijk lijken. Toch staat het niet buiten het universum. Het deelt met ons dezelfde oorsprong en bevindt zich binnen hetzelfde geheel.

Misschien is dat het verschil dat in de oude verhalen voortdurend zichtbaar probeert te worden.

De goden kunnen uit de hemel komen.

God kan nergens vandaan komen, omdat er geen plaats buiten God bestaat.

De menselijke vertaling

Een gebeurtenis vertelt zichzelf niet.

Mensen nemen haar waar, proberen haar te begrijpen en geven haar door in de taal die zij kennen. Daardoor lezen we in een oude tekst nooit alleen wat er mogelijk is gebeurd. We lezen ook de menselijke poging om het gebeurde een plaats te geven.

Donder kan een stem worden. Ziekte kan als straf worden ervaren. Een onverwachte overwinning wordt een beloning. Een wezen met onbegrijpelijke vermogens krijgt de naam van een god.

Het onbekende krijgt een gezicht dat op het onze lijkt.

Daarna schrijven we dat gezicht menselijke eigenschappen toe. De god wordt boos, jaloers of bezitterig. Hij wil gehoorzaamd worden en voelt zich beledigd wanneer mensen zich tot andere machten wenden.

Misschien zeggen zulke eigenschappen soms meer over de samenleving die het verhaal heeft vastgelegd dan over de aanwezigheid die zij probeerde te beschrijven.

Dat maakt de verhalen niet waardeloos. Het laat zien hoe moeilijk het is om iets groters waar te nemen zonder het onmiddellijk te vertalen naar de vorm van ons eigen bewustzijn.

Wij doen dat nog steeds.

Wanneer iemand ons iets laat zien wat ons diep raakt, hechten we ons gemakkelijk aan die persoon. De leraar wordt belangrijker dan wat hij onderwijst. Het symbool neemt de plaats in van datgene waarnaar het verwijst. Een inzicht dat ons had kunnen openen, verandert langzaam in een identiteit die verdedigd moet worden.

Misschien ligt daar de diepere betekenis van het verbod om andere goden te aanbidden.

Op het eerste gezicht klinkt het als de eis van een heerser die geen concurrentie duldt. Maar waarom zou de bron van een oneindige werkelijkheid zich bedreigd voelen door een beeld, een ritueel of een ander wezen?

Het gebod krijgt een andere betekenis wanneer God geen afzonderlijke persoonlijkheid is, maar de eenheid waarin alles bestaat.

Aanbid geen enkele vorm alsof zij het geheel is.

Verwar de boodschapper niet met de bron.

Een koning, volk, instituut of religie kan tot afgod worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor een leraar, een engel of een wezen dat uit de hemel verschijnt. Zodra wij iets uit het geheel losmaken en tot hoogste werkelijkheid verklaren, raken we juist de eenheid kwijt waarnaar het ons had kunnen leiden.

Zelfs een god kan een afgod worden.

Wat er met Jezus gebeurde

Binnen het christendom wordt zichtbaar hoe gemakkelijk die verwarring ontstaat.

Jezus wijst naar de Vader. Hij spreekt over liefde, vergeving en een koninkrijk dat in of tussen mensen zichtbaar kan worden. Zijn leven laat zien wat er gebeurt wanneer een mens niet langer volledig wordt geleid door status, bezit, angst en behoefte aan erkenning.

God krijgt in hem menselijke handen en voeten.

Na zijn dood verschuift de aandacht steeds verder van de werkelijkheid die hij zichtbaar maakte naar zijn persoon. Jezus wordt niet langer alleen gezien als een mens door wie God uitzonderlijk helder kon werken. Hij wordt een wezen van een fundamenteel andere orde dan de rest van de mensheid.

Daarmee ontstaat opnieuw afstand.

Wanneer Jezus volledig God is en wij alleen gebrekkige mensen zijn, kunnen we hem aanbidden zonder ons af te vragen wat zijn leven over onze eigen mogelijkheden zegt. Zijn bewustzijn wordt bewonderenswaardig en tegelijk onbereikbaar.

Aanbidding is veiliger dan navolging.

Een mens die laat zien wat mogelijk is, stelt een ongemakkelijke vraag: wat houdt mij tegen om zelf vanuit meer liefde, vertrouwen en helderheid te leven?

Een bovennatuurlijke uitzondering stelt die vraag niet. Hij vraagt alleen om geloof.

Zo kan zelfs liefde voor Jezus de beweging bedekken waarnaar hij verwees. De boodschapper wordt de bestemming. De mens die zichtbaar maakte hoe God door een mens heen kan werken, wordt gebruikt als bewijs dat God en mens fundamenteel van elkaar gescheiden zijn.

De vorm wordt opnieuw belangrijker dan de boodschap.

Misschien is dat precies waarvoor de oude waarschuwing bedoeld was.

Kniel niet voor wat verschijnt, hoe indrukwekkend of dierbaar het ook is. Blijf kijken naar datgene wat zich erdoorheen zichtbaar probeert te maken.

Geen buiten

God is één.

Dat hoeft niet alleen te betekenen dat er één juiste godheid bestaat en alle andere goden vals zijn. Het kan betekenen dat de werkelijkheid zelf één is.

Alles wat bestaat, bevindt zich binnen hetzelfde geheel. Geen mens, planeet, engel, god of buitenaards wezen staat erbuiten. Er kunnen enorme verschillen in ontwikkeling, kennis en bewustzijn bestaan, maar verschil is nog geen afscheiding.

De mens heeft zichzelf lang als middelpunt genomen. Wat op ons lijkt noemen we vertrouwd. Wat van elders komt noemen we vreemd. Wat ons ver overstijgt noemen we goddelijk.

Maar vanuit het geheel bezien zijn het tijdelijke vormen waarin dezelfde werkelijkheid verschijnt.

Sommige vormen komen naar ons toe en leren ons iets wat wij nog niet wisten. Andere brengen van binnenuit iets in ons tot leven. Soms verschijnt kennis als een wet op een berg. Soms als de helderheid waarmee een jongen tegenover een reus gaat staan. Soms als een mens die weigert zijn vijand buiten de liefde te plaatsen.

De vormen verschillen.

De beweging wijst steeds terug naar dezelfde eenheid.

Misschien hebben de oude verhalen beide werkelijkheden bewaard. Herinneringen aan wezens die verschenen, spraken en kennis overdroegen. En herinneringen aan mensen in wie iets openbrak waardoor God van binnen naar buiten zichtbaar kon worden.

Wij voegden ze samen onder één woord en vergaten daarna dat het woord naar verschillende ervaringen kon verwijzen.

Daarom is het belangrijk opnieuw te vragen wat we bedoelen wanneer we God zeggen.

Bedoelen we een wezen dat spreekt vanuit het vuur?

Een intelligentie die uit de hemel komt?

Een leraar die kennis brengt?

Of bedoelen we datgene waarin het vuur, de hemel, de leraar en degene die naar hem luistert allemaal bestaan?

Misschien werd Mozes werkelijk door een hoger ontwikkeld wezen onderwezen. Misschien zag Ezechiël iets waarvoor zijn wereld nog geen taal had. Misschien waren de goden veel werkelijker dan wij tegenwoordig durven denken.

Ook dan waren zij niet God.

Ze verschenen binnen dezelfde werkelijkheid als wij. Ze konden naar de eenheid wijzen, maar stonden er niet boven. Ze konden licht dragen, maar waren niet de oorsprong van het licht.

Dat was misschien al die tijd het verschil.

De goden kwamen uit de hemel.

God was overal.