Wat bedoelen we wanneer we God zeggen?
Wat het woord God aanwijst wanneer het geen figuur meer is maar het grotere geheel.
Wat bedoelen we wanneer we God zeggen?
Er is een moment in het verhaal van Mozes dat zo vertrouwd is geworden dat we bijna niet meer merken hoe vreemd het is.
Mozes ziet een struik die in brand staat zonder te verbranden. Vanuit het vuur wordt hij aangesproken. Later wordt een heel volk door de woestijn geleid door een aanwezigheid die zich overdag als een wolk toont en ’s nachts als vuur. Wanneer Mozes de berg Sinaï beklimt, is de top bedekt met rook. Er is donder, vuur en een geluid dat steeds sterker wordt. Het volk moet afstand houden. Mozes verdwijnt in de aanwezigheid op de berg en keert terug met wetten die de basis moeten vormen voor een nieuwe samenleving.
We hebben geleerd dit alles onder één woord te plaatsen: God.
Dat woord is zo groot en vertrouwd dat het de vreemdheid van de gebeurtenissen bijna volledig absorbeert. Zodra we zeggen dat God iets deed, lijkt verdere uitleg niet meer nodig. God kan immers verschijnen zoals Hij wil. Hij kan spreken vanuit vuur, een volk leiden met een wolk, voedsel laten verschijnen en kennis overdragen op een berg.
Toch is het interessant om de verhalen even te bekijken voordat we ze onder dat ene woord samenbrengen.
Er verschijnt iets. Het beweegt mee met een groep mensen. Het geeft aanwijzingen, beschermt, straft, onderwijst en organiseert. Het beschikt over kennis en vermogens die voor de mensen die het meemaken ver buiten hun eigen mogelijkheden liggen.
Ook elders in en rond de Bijbel vinden we zulke beschrijvingen.
Ezechiël ziet vuur, licht en iets wat glanst als metaal. Hij beschrijft levende wezens en merkwaardige wielen die zich in verschillende richtingen kunnen bewegen. Boven het geheel ziet hij iets wat op een troon lijkt. Zijn woorden zijn gedetailleerd en tegelijk moeilijk te volgen, alsof hij iets probeert vast te leggen waarvoor zijn taal geen passende begrippen bevat.
Henoch wordt weggenomen. In de latere Henochtraditie reist hij door hemelse gebieden en ontvangt hij kennis over de sterren, de seizoenen en de ordening van de hemel. Elia verdwijnt in een stormwind, nadat vurige paarden en een strijdwagen tussen hem en Elisa zijn verschenen.
Ook in Genesis klinkt soms een opvallend meervoud. “Laat Ons mensen maken.” “Laat Ons neerdalen.” In Psalm 82 verschijnt een vergadering waarin God te midden van andere goden staat. Daarnaast kent de Bijbel engelen, wachters, cherubs, zonen van God en andere hemelse machten met eigen taken en eigenschappen.
De hemel van de Bijbel is niet leeg. Er verschijnen wezens. Ze spreken, reizen, overleggen, onderwijzen, waarschuwen en grijpen in. Soms werken ze samen, soms lijken verschillende machten tegenover elkaar te staan.
Toch noemen we bijna alles wat er gebeurt God.
Een andere aanwezigheid
Wanneer David tegenover Goliath staat, gebeurt er iets heel anders.
Er daalt geen vuur neer. Er verschijnt geen wolk. David ontvangt geen voorwerp uit de hemel en er klinkt geen stem die hem stap voor stap vertelt wat hij moet doen.
Hij ziet dezelfde reus die alle anderen zien. Goliath is groter, sterker en beter bewapend. De andere soldaten reageren vanuit een begrijpelijke angst. Zij vergelijken hun kracht met die van hem en trekken daaruit de conclusie dat zij niet kunnen winnen.
David lijkt vanuit een andere innerlijke toestand te kijken.
Hij valt Goliath niet aan uit blinde woede. Hij probeert zichzelf niet te bewijzen. Hij lijkt eenvoudig te weten dat dit het moment is waarop hij moet handelen. De mogelijke gevolgen krijgen geen kans om zijn aandacht volledig over te nemen.
Zijn vertrouwen wordt vaak uitgelegd als het geloof dat God hem van buitenaf zal beschermen. Maar misschien ligt de betekenis nog dieper. David handelt zonder innerlijke verdeeldheid.
Waar angst de waarneming van de anderen vernauwt, blijft hij in staat om te zien. Hij merkt op dat Goliaths kracht ook een beperking bevat. De reus is zwaar bewapend, maar traag. David kiest geen gevecht op Goliaths voorwaarden. Hij gebruikt wat hij kent en doet wat voor hem op dat moment klopt.
God verschijnt hier niet zichtbaar tegenover David. God wordt zichtbaar in de helderheid waarmee David handelt.
Bij Salomon vinden we opnieuw een andere vorm. Hij vraagt niet om rijkdom, macht of de dood van zijn vijanden. Hij vraagt om wijsheid, om het vermogen te onderscheiden wat juist is. Daarna volgen rijkdom, aanzien en voorspoed.
We kunnen dat lezen als een beloning van een God die Salomons verzoek goedkeurt en hem daarom extra geschenken geeft. Maar zodra we het een beloning noemen, stellen we God opnieuw voor als een afzonderlijke persoonlijkheid die van buitenaf prijzen uitdeelt.
Er is ook een eenvoudiger verband mogelijk.
Iemand die helder ziet, neemt andere beslissingen. Hij begrijpt beter welke gevolgen zijn handelen heeft. Hij herkent patronen, doorziet conflicten en kan orde scheppen waar eerst verwarring was. Hij hoeft minder energie te verspillen aan angst, impuls, zelfbescherming en bewijsdrang.
Wijsheid brengt daardoor van nature vruchtbaarheid voort. De overvloed van Salomon hoeft geen willekeurig geschenk te zijn. Zij kan het gevolg zijn van een innerlijke staat waarin het leven minder wordt tegengewerkt.
In David werd vertrouwen eerst een daad en daarna een lied. Salomon vroeg om wijsheid en plukte daarvan de vruchten. Jezus maakte liefde zichtbaar en liet zien wat er gebeurt wanneer God vrij door een mens heen kan werken.
Wanneer de mens begint te zingen
De Psalmen dragen de hele menselijke ervaring in zich. Er is angst, woede, verlies en verlangen, maar ook een ander register waarin David zich gedragen weet. Dan ontstaan vertrouwen, dankbaarheid, vreugde en een diepe ervaring van nabijheid.
Dezelfde innerlijke afstemming die hem tegenover Goliath liet handelen, krijgt in de Psalmen taal. Eerst werd vertrouwen een daad. Daarna werd het een lied.
David zingt niet alleen omdat een machtige heerser geëerd moet worden. Hij zingt omdat hij iets ervaart waarvoor gewone taal niet meer voldoende is. Er is iets in hem opengegaan. De afstand tussen hemzelf en het leven is voor een moment kleiner geworden.
Hetzelfde gebeurt in het Hooglied. Op het eerste niveau is het een gedicht over liefde tussen mensen. Binnen de religieuze traditie werd het ook gelezen als een beeld van de liefde tussen de mens en God.
Die twee lezingen hoeven elkaar niet uit te sluiten. Werkelijke liefde verzacht de grens tussen het zelf en de ander. De mens verliest zichzelf niet, maar ervaart evenmin nog dat hij volledig op zichzelf teruggeworpen is.
Uit die ruimte komen woorden, muziek, beelden en dankbaarheid voort. Niet omdat iemand heeft opgedragen dat er gezongen moet worden, maar omdat iets wat van binnen wordt ervaren naar buiten wil bewegen.
De Psalmen en het Hooglied laten daarmee een God zien die niet neerdaalt in een wolk of verschijnt tussen bewegende wielen. Deze God wordt hoorbaar in de mens.
De Vader die in de mens werkt
Bij Jezus wordt deze beweging nog sterker zichtbaar.
Hij spreekt over de Vader die in hem woont en door hem heen werkt. Hij spreekt over een koninkrijk dat niet eenvoudig op een landkaart kan worden aangewezen. In sommige vertalingen bevindt het zich binnen de mens, in andere te midden van de mensen.
In beide gevallen is het geen verre plaats die pas na de dood bereikbaar wordt. Het is een werkelijkheid die zichtbaar kan worden in de manier waarop een mens leeft.
Jezus benadert zieken, verstotenen en zondaars zonder de grenzen te bevestigen waarmee anderen hen buiten de gemeenschap hadden geplaatst. Hij spreekt over vergeving, vertrouwen en het liefhebben van de vijand. Hij vraagt de mens om de ander te behandelen zoals hij zelf behandeld wil worden.
Dat zijn geen willekeurige regels van een hemelse autoriteit. Het zijn bewegingen die separatie doorbreken.
Wanneer ik de ander alleen nog als vijand kan zien, vernauwt mijn wereld. Wanneer ik vergeef, betekent dat niet dat ik ontken wat er is gebeurd. Ik maak mezelf los van een innerlijke werkelijkheid waarin het verleden mijn denken en handelen blijft bepalen.
Liefde verbindt. Wijsheid ordent. Vertrouwen maakt handelen mogelijk. Dankbaarheid opent de aandacht voor wat er al is. Het zijn eigenschappen die groei mogelijk maken.
Misschien voelen liefde, vrede en dankbaarheid daarom zo diep kloppend. Niet omdat een wezen buiten ons ze als moreel juist heeft aangewezen, maar omdat ze overeenstemmen met de beweging van het leven zelf.
Wanneer twijfel, verwachting en controle minder ruimte innemen, kan die beweging door een mens heen zichtbaar worden. Dan ontstaan wijsheid, moed, kunst, creatie en soms een vorm van genie die moeilijk volledig aan het afzonderlijke individu toe te schrijven lijkt.
Zo werkt God van binnen naar buiten.
Twee richtingen
Wanneer we deze verhalen naast elkaar plaatsen, ontstaat langzaam een verschil.
Bij Mozes verschijnt een aanwezigheid die spreekt, leidt en kennis overdraagt. Bij Ezechiël verschijnt iets wat hij probeert te beschrijven met vuur, metaal, levende wezens en bewegende wielen. Henoch wordt meegenomen en onderwezen.
Daar komt iets naar de mens toe.
Bij David verschijnt niets zichtbaars. Hij handelt vanuit een vertrouwen dat al in hem aanwezig is. Salomon vraagt om wijsheid en wordt daardoor iemand door wie orde en overvloed kunnen ontstaan. In de Psalmen wordt vertrouwen tot zang. Jezus spreekt over de Vader die in hem woont.
Daar komt iets door de mens heen naar buiten.
Beide ervaringen worden God genoemd, maar ze hebben niet dezelfde vorm.
De ene aanwezigheid lijkt een intelligentie met een eigen positie, stem, intentie en handelingsvermogen. Zij kan ergens verschijnen en ook weer verdwijnen. Zij kan informatie geven die de mens daarvoor niet bezat.
De andere God neemt geen afzonderlijke plaats in. Deze God wordt ervaren als de grond onder de ervaring zelf, als de orde die zichtbaar wordt wanneer de mens niet langer alleen vanuit angst en afgescheidenheid handelt.
Misschien is het niet vreemd dat deze werkelijkheden in oude verhalen met elkaar verweven raakten. Een mens kan alleen herkennen waarvoor hij begrippen heeft.
De menselijke vertaling
De Bijbel zelf doet niets. Hij kiest geen interpretatie en voegt geen gebeurtenissen samen.
Mensen doen dat.
De teksten zijn ontstaan uit herinneringen, mondelinge overlevering, visioenen, symbolen en latere ordening. Iedere ervaring moest door het bewustzijn van degene die haar waarnam en door de taal van degene die haar vertelde.
Dat maakt de verhalen niet onwaar. Het betekent dat we nooit alleen de gebeurtenis lezen. We lezen ook de menselijke poging om haar te begrijpen.
Een mens die bliksem niet kan verklaren, kan haar ervaren als de woede van een wezen. Donder wordt een stem. Een ziekte wordt een straf. Een onverwachte overwinning wordt een beloning.
Het onverklaarbare krijgt een identiteit.
Wanneer iets veel machtiger, wijzer of verder ontwikkeld is dan wijzelf, ligt het voor de hand dat wij het goddelijk noemen. Het verschil tussen ons en datgene wat we ontmoeten is dan te groot om nog als een verschil binnen dezelfde werkelijkheid te worden gezien.
Wij maken van verschil een absolute scheiding.
Daarna geven we het onbekende menselijke eigenschappen. De god wordt boos, jaloers, trots of bezitterig. Hij wil gehoorzaamd worden en voelt zich beledigd wanneer mensen andere machten volgen.
Misschien vertellen zulke eigenschappen ons soms meer over de mensen die de ervaring hebben vastgelegd dan over het wezen dat zij probeerden te beschrijven.
Onder de geboden
Dat wordt zichtbaar in de Tien Geboden.
“Gij zult geen andere goden aanbidden” kan klinken als de eis van een heerser die geen concurrentie duldt. Binnen die lezing wil God exclusieve loyaliteit. Hij staat tegenover andere goden en wil dat de mens voor Hem kiest.
Maar waarom zou de bron van een oneindige werkelijkheid zich bedreigd voelen door een beeld, een ritueel of een ander wezen?
Misschien ligt onder het gebod een waarheid die de mens toen nog niet rechtstreeks kon begrijpen.
God is één.
Dat hoeft niet alleen te betekenen dat er één toegestane godheid bestaat. Het kan betekenen dat de werkelijkheid zelf één is.
Alles wat bestaat, bevindt zich binnen hetzelfde geheel. Geen mens, volk, planeet, engel of god staat erbuiten. Een wezen kan verder ontwikkeld zijn dan wij. Het kan over kennis en vermogens beschikken die wij niet begrijpen. Toch blijft het een verschijningsvorm binnen dezelfde werkelijkheid.
Zodra wij zo’n verschijningsvorm tot het absolute verheffen, verliezen we het geheel uit het oog. We verwarren iets wat verschijnt met datgene waardoor alles kan verschijnen.
Vanuit dat perspectief is afgoderij veel ruimer dan het knielen voor een beeld. Ook een koning, volk, instituut, religie of leraar kan een afgod worden. Alles wat wij losmaken uit het geheel en tot hoogste werkelijkheid verklaren bevestigt opnieuw het idee van separatie.
Zelfs een god kan een afgod worden.
Misschien probeerden de wezens die Mozes begeleidden de mens daarom niet te leren dat zij aanbeden moesten worden. Misschien probeerden zij hem juist iets bij te brengen wat hij nog nauwelijks kon bevatten: dat achter alle afzonderlijke vormen één werkelijkheid ligt.
De regels vormden dan een eerste onderwijs in eenheid.
Niet doden, niet stelen, niet liegen over de ander en niet begeren wat hij bezit, leren de mens dat het leven van de ander niet volledig losstaat van zijn eigen leven. De mens begrijpt het principe misschien nog niet, maar hij kan wel leren handelen alsof het waar is.
Zoals een kind eerst een regel ontvangt en pas later ziet waarom die regel nodig was.
Een moderne spirituele tekst als The Law of One gebruikt een andere taal, maar wijst naar hetzelfde principe. Alles is één. Iedere vorm van verering die een afzonderlijk wezen boven het geheel plaatst, bevestigt opnieuw de ervaring van separatie.
De regel en de bedoeling
Een regel kan helpen om bewustzijn te laten groeien. Hij kan dat bewustzijn later ook gevangenhouden.
Dat gebeurt wanneer de vorm belangrijker wordt dan de beweging die zij moest ondersteunen. Gehoorzaamheid wordt dan belangrijker dan begrip. Mensen blijven de woorden herhalen, maar verliezen het principe uit het oog waarnaar die woorden ooit verwezen.
Een leer over eenheid kan zo veranderen in een systeem dat mensen van elkaar scheidt. Een symbool wordt letterlijk genomen. Een tijdelijke grens wordt eeuwige waarheid. Een leraar wordt een autoriteit die niet meer bevraagd mag worden.
Misschien is dat geen incident binnen religie, maar een terugkerend patroon in het menselijke bewustzijn.
Wij zien iets wat ons overstijgt. We geven het een vorm, zodat we het kunnen onthouden en doorgeven. Vervolgens raken we zo gehecht aan die vorm dat we haar gaan verdedigen tegen andere vormen die naar dezelfde werkelijkheid proberen te wijzen.
De weg naar eenheid wordt dan opnieuw een reden voor afscheiding.
Wat er met Jezus gebeurde
Binnen het christendom is dat patroon opvallend zichtbaar.
Jezus wijst voortdurend naar de Vader. Hij spreekt over liefde, vergeving en een koninkrijk dat in of tussen mensen zichtbaar wordt. Zijn leven laat zien wat er gebeurt wanneer een mens nauwelijks nog wordt geleid door status, bezit, angst of behoefte aan erkenning.
Hij maakt zichtbaar hoe God door een mens heen kan werken.
Na zijn dood verschuift de aandacht steeds sterker van de werkelijkheid waarnaar hij wees naar zijn eigen persoon. Jezus wordt niet alleen een mens die God op een uitzonderlijke manier belichaamde. Hij wordt een wezen van een fundamenteel andere orde dan de rest van de mensheid.
Daarmee ontstaat opnieuw afstand.
Wanneer Jezus volledig God is en de mens alleen maar gebrekkig mens, wordt zijn bewustzijn bewonderenswaardig maar onbereikbaar. Wij hoeven dan niet meer te onderzoeken wat zijn leven over onze eigen mogelijkheden zegt. We hoeven alleen te geloven dat hij uniek was.
Aanbidding is in dat opzicht veiliger dan navolging.
Een mens die ons laat zien wat mogelijk is, stelt een ongemakkelijke vraag. Wat houdt ons tegen om zelf vanuit meer liefde, vertrouwen en innerlijke helderheid te leven?
Wanneer we hem tot een bovennatuurlijke uitzondering maken, verdwijnt die vraag naar de achtergrond.
Dat betekent niet dat liefde voor Jezus verkeerd is. Het betekent dat ook liefde in afgoderij kan veranderen wanneer de vorm belangrijker wordt dan datgene wat door de vorm zichtbaar werd.
De boodschapper wordt dan de bestemming.
Precies datgene waarvoor de oude geboden mogelijk waarschuwden, gebeurt opnieuw.
Een woord dat vroeger niet bestond
Stel je voor dat een intelligent wezen zich in onze tijd aan de mensheid zou tonen.
Het verschijnt in een voertuig of verschijnsel dat zich op een manier beweegt die wij nog niet begrijpen. Het beschikt over kennis die onze wetenschap ver vooruit is. Het kan onze landbouw verbeteren, ons leren hoe we energie anders kunnen gebruiken, ons iets vertellen over de sterren en ons symbolen geven waarmee kennis lang bewaard kan blijven.
We zouden onder de indruk zijn. Sommigen zouden bang worden. Anderen zouden het wezen willen volgen, vereren of gehoorzamen.
Maar de meeste mensen zouden het waarschijnlijk geen God noemen.
We hebben inmiddels een ander woord voor een intelligentie die niet van deze aarde afkomstig is.
We zouden haar buitenaards noemen.
Misschien is dat alles wat er nodig is om een oude mogelijkheid opnieuw te kunnen zien.
De mensen die de gebeurtenissen rond Mozes, Ezechiël of Henoch beschreven, hadden dat woord niet. Zij kenden geen planeten zoals wij die kennen, geen technologische beschavingen en geen categorie voor intelligent leven dat niet menselijk was.
Wanneer een wezen uit de hemel verscheen, over onbegrijpelijke vermogens beschikte en kennis overdroeg, was god misschien het enige woord dat groot genoeg was.
Niet omdat het wezen de bron van de werkelijkheid was, maar omdat het verschil met de mens zo groot leek dat een andere verklaring nauwelijks mogelijk was.
Plotseling krijgt het onderscheid tussen God en de goden een eenvoudige vorm.
De goden zijn wezens die binnen de werkelijkheid verschijnen.
God is de werkelijkheid waarin zowel zij als wij bestaan.
Een minder vreemd idee
Het woord buitenaards klinkt spectaculair omdat het omgeven is geraakt door sciencefiction, complottheorieën en sensationele verhalen. In de meest letterlijke betekenis zegt het alleen dat iets niet van de aarde afkomstig is.
Het zegt niets over God.
Een wezen uit een ander deel van het universum staat niet buiten de schepping. Het is geen concurrent van God en vormt geen bedreiging voor religie. Het bevindt zich binnen dezelfde werkelijkheid als wij.
Dat maakt het idee van fysieke goden minder radicaal dan het eerst lijkt.
Oude verhalen uit Mesopotamië, Egypte, India en Midden-Amerika spreken eveneens over goden die uit de hemel kwamen, beschaving brachten en de mens kennis leerden over landbouw, sterren, bouwkunst en tijd. De Dogon-overlevering rond Sirius wordt vaak in dat verband genoemd. In moderne interpretaties van oude teksten, zoals die van Zecharia Sitchin en Erich von Däniken, wordt gezocht naar herinneringen aan contact met verder ontwikkelde wezens.
Niet iedere bewering die hieruit is voortgekomen hoeft waar te zijn. Veel interpretaties gaan verder dan wat met zekerheid uit de teksten kan worden afgeleid.
Toch wordt het onderliggende patroon moeilijker om volledig weg te zetten zodra het onderscheid eenmaal zichtbaar is. Overal vertelt de mens over wezens die verschijnen, onderwijzen en verdwijnen.
Misschien zijn sommige verhalen symbolisch. Misschien beschrijven andere vergeten menselijke culturen. Misschien vonden sommige ontmoetingen plaats in bewustzijnstoestanden waarvoor onze huidige categorieën eveneens tekortschieten. En misschien waren er soms eenvoudig wezens uit andere delen van dezelfde werkelijkheid.
We hoeven niet direct te beslissen welke uitleg de juiste is. Het belangrijkste is dat het woord god niet langer ieder onderscheid hoeft uit te wissen.
Ook de goden wijzen naar God
Daarmee ontstaat geen universum waarin God wordt vervangen door buitenaardse wezens.
Het tegenovergestelde gebeurt. God wordt bevrijd uit het beeld van een grote menselijke persoonlijkheid die ergens boven de aarde woont en beslissingen neemt over het lot van afzonderlijke mensen.
God wordt weer de ene werkelijkheid die door alles heen beweegt.
Door David, wanneer vertrouwen eerst een daad wordt en daarna een lied. Door Salomon, wanneer wijsheid orde en overvloed voortbrengt. Door Jezus, wanneer liefde zichtbaar wordt en God vrij door een mens heen kan werken.
Maar ook door de goden die kennis overdroegen, wetten brachten en de mens probeerden te leren dat hij geen afzonderlijk wezen in een vijandig universum was.
Misschien probeerden zij ons al die tijd naar dezelfde God te leiden. Niet naar zichzelf, maar naar de eenheid waarbinnen zij zelf eveneens bestonden.
Dat geeft ook een andere betekenis aan het gebod om geen goden te aanbidden. Het kan een waarschuwing zijn om de leraar niet met de waarheid te verwarren. Om niet neer te knielen voor een verschijning, hoe indrukwekkend zij ook is, maar te blijven kijken naar datgene waarnaar zij verwijst.
Het tragische is dat de mens keer op keer precies het tegenovergestelde doet.
Hij maakt afbeeldingen van de boodschappers, bouwt tempels rond hun woorden en verdedigt de vorm waarin het onderwijs werd ontvangen. Iedere generatie voegt nieuwe interpretaties toe, totdat de weg naar eenheid opnieuw een reden voor afscheiding is geworden.
Ook Jezus ontsnapte niet aan dat patroon.
Hij wees naar de Vader, waarna zijn volgelingen hemzelf tot het hoogste voorwerp van aanbidding maakten. De mens die liet zien hoe God door een mens heen kon werken, werd gebruikt als bewijs dat God en mens fundamenteel van elkaar gescheiden zijn.
De vorm werd opnieuw belangrijker dan de boodschap.
Het kleine licht
Misschien begint ieder bewustzijn als een klein lichtje dat ontwaakt en even denkt dat het alleen is.
Het ziet zijn eigen vorm, zijn eigen gedachten en zijn eigen grenzen. Vanuit dat beperkte perspectief lijkt het alsof de wereld uit afzonderlijke dingen bestaat die elkaar kunnen bedreigen, bezitten of uitsluiten.
Wanneer het licht beter leert kijken, ontdekt het dat het nooit los heeft gestaan van het grotere licht waaruit het voortkwam.
Het universum is niet van de mens. De mens is een tijdelijke vorm waarin het universum zichzelf ervaart.
Hetzelfde geldt voor ieder ander bewust wezen. Hoe vreemd zijn lichaam, oorsprong of ontwikkeling voor ons ook mag lijken, ook dat wezen bevindt zich binnen dezelfde realiteit.
Het woord alien zegt uiteindelijk vooral iets over onszelf. Wij noemen iets vreemd omdat we onszelf als het bekende middelpunt hebben genomen.
Maar binnen God bestaat geen buiten.
Daar staan geen mensen tegenover goden, aardbewoners tegenover buitenaardse wezens of de schepping tegenover haar bron. Er zijn vormen, niveaus en tijdelijke verschillen binnen één werkelijkheid die zich op ontelbare manieren leert herkennen.
Sommige vormen onderwijzen van buitenaf. Andere brengen van binnenuit iets tot leven.
Misschien bewaart de Bijbel herinneringen aan beide.
De goden verschenen, spraken en brachten kennis. In David werd vertrouwen eerst een daad en daarna een lied. Salomon vroeg om wijsheid en plukte daarvan de vruchten. Jezus maakte liefde zichtbaar en liet zien wat er gebeurt wanneer God vrij door een mens heen kan werken.
Door al deze vormen heen wees dezelfde werkelijkheid naar zichzelf.
Misschien was dat al die tijd het verschil.
De goden kwamen uit de hemel.
God was overal.