PsychologieCirca 6 minuten

Twee maskers rond dezelfde wond

Zelfvergroting en zelfverlies kunnen dezelfde angst verbergen. Over twee beschermingsstrategieën en het terugvinden van een eigen innerlijk kompas.

Een doorlopend stuk linnen vormt naast elkaar een strak opgebold vlak en een laag samengeperste verzameling plooien.

Twee maskers rond dezelfde wond

Je begint een gesprek omdat iets je heeft geraakt. Je wilt vertellen wat er gebeurde en wat dat met je deed. Maar ergens onderweg verandert het gesprek. De ander voelt zich aangevallen, wordt boos of trekt zich terug. Je begint je woorden zorgvuldiger te kiezen, legt uit dat je het niet zo bedoelde en probeert de spanning weg te nemen.

Aan het einde heb je de ander gerustgesteld. Wat je zelf wilde vertellen, is nauwelijks nog besproken.

Wanneer dit zich vaak herhaalt, ontstaat er een vreemde verdeling. De gevoelens van de één bepalen hoeveel ruimte er overblijft voor de ander. En degene die steeds ruimte maakt, kan dat lange tijd begrijpen als liefde.

Van buitenaf lijken de rollen duidelijk. De één neemt, de ander geeft. De één maakt zichzelf groot, de ander maakt zichzelf klein. We verbinden daar gemakkelijk een oordeel aan: egoïsme tegenover goedheid, narcisme tegenover empathie.

Maar hoeveel iemand geeft of neemt, vertelt nog niet vanuit welke innerlijke toestand dat gebeurt.

Ook achter eindeloos geven kan angst zitten. De angst om afgewezen te worden, iemand teleur te stellen of overbodig te worden. Wie zijn eigen behoeften voortdurend opzijzet, kan daarmee proberen dezelfde onzekerheid te beheersen die een ander achter een onaantastbaar zelfbeeld verbergt.

Dat is de overeenkomst die onder de tegenstelling verborgen blijft.

Wanneer een kind merkt dat bepaalde gevoelens ongewenst zijn, leert het daar rekening mee te houden. Boosheid verstoort de sfeer. Verdriet wordt lastig gevonden. Een eigen behoefte roept irritatie op. Het kind begint te ontdekken onder welke voorwaarden nabijheid beschikbaar blijft.

Daar kan een pijnlijke overtuiging uit ontstaan: zoals ik vanzelf ben, ben ik blijkbaar niet genoeg.

Die overtuiging kan verschillende vormen aannemen. Een kind kan leren dat het bijzonder moet zijn, sterk moet overkomen en geen zwakte mag tonen. Een ander leert dat het gemakkelijk moet zijn, weinig mag vragen en vooral goed moet aanvoelen wat anderen nodig hebben.

Beide aanpassingen kunnen de verbinding met het eigen zelf verdringen. Wat iemand voelt en nodig heeft, raakt ondergeschikt aan wat nodig lijkt om veilig te blijven.

In een narcistisch patroon wordt het zelfbeeld een bescherming. Er moet iets overeind blijven dat bewonderenswaardig, belangrijk of onaantastbaar is. Kritiek kan daardoor veel meer raken dan de concrete handeling waarover zij gaat. Een vergissing toegeven komt gevaarlijk dicht bij het gevoel tekort te schieten als persoon.

De aandacht verschuift dan naar het verdedigen van dat beeld. Een ander heeft het verkeerd begrepen, reageert overdreven of is zelf de oorzaak van het probleem. Zo kan de kwetsbaarheid buiten beeld blijven, terwijl de gevolgen ervan bij iemand anders terechtkomen.

Bij zelfverlies gebeurt een andere beweging. Daar zoekt iemand de verklaring voor spanning juist steeds bij zichzelf. Heb ik te veel gevraagd? Had ik meer begrip moeten tonen? Moet ik het anders zeggen?

Dat patroon wordt vaak codependentie genoemd: de eigen waarde en veiligheid raken sterk afhankelijk van de relatie en van het tevreden houden van de ander.

Wie zo leeft, kan bijzonder zorgzaam zijn. Die zorg hoeft niet gespeeld te zijn. Je kunt oprecht van iemand houden en tegelijk bang zijn dat die liefde verdwijnt zodra je zelf ruimte inneemt. Juist daardoor wordt het moeilijk om te herkennen waar vrij geven overgaat in jezelf verlaten.

David R. Hawkins beschrijft in zijn bewustzijnsmodel een beweging van onder meer schaamte, schuld, angst en trots naar moed, acceptatie en liefde. Het is een spiritueel interpretatiekader, geen klinische meetlat voor mensen. Als beeld helpt het hier wel om voorbij het zichtbare gedrag te kijken.

Trots en zelfopoffering kunnen aan de buitenkant ver uit elkaar liggen, terwijl beide nog rond angst en gekwetste eigenwaarde georganiseerd zijn. Iemand die zichzelf voortdurend verheft, is daarmee niet vrij van schaamte. Iemand die zichzelf voortdurend wegcijfert, leeft daarmee nog niet vanzelf vanuit liefde.

In die zin zijn het geen uitersten van bewustzijn. Het zijn verschillende manieren om met een beschadigde verbinding met jezelf om te gaan.

Wanneer deze patronen elkaar ontmoeten, kunnen ze precies in elkaar grijpen. Waar de één bevestiging nodig heeft, biedt de ander begrip. Waar de één verantwoordelijkheid ontwijkt, neemt de ander extra verantwoordelijkheid op zich. Een kort moment van warmte kan vervolgens genoeg zijn om te blijven hopen dat het met nog wat meer geduld eindelijk goed zal worden.

Zo kan een relatie standhouden doordat beiden blijven doen wat ze ooit hebben geleerd. De één hoeft zijn kwetsbaarheid niet onder ogen te zien. De ander hoeft nog niet te voelen wat er gebeurt wanneer hij ophoudt zijn plaats te verdienen.

Een gedeelde wond maakt hun gedrag niet gelijkwaardig. Manipulatie, vernedering en het overschrijden van grenzen blijven de verantwoordelijkheid van degene die dat doet. Begrijpen waar gedrag vandaan komt, verplicht niemand om het te blijven verdragen.

Dat onderscheid wordt juist belangrijk voor wie gewend is veel te begrijpen. Inzicht in de pijn van de ander kan opnieuw een reden worden om de eigen pijn uit te stellen. Er is altijd een verklaring te vinden, en daarmee lijkt er steeds nog iets te zijn wat je kunt geven.

Maar jouw begrip kan de bereidheid van een ander om verantwoordelijkheid te nemen niet vervangen. Wanneer ieder pijnlijk moment eindigt met jouw aanpassing, blijft de relatie afhankelijk van jouw vermogen om jezelf opzij te zetten.

De uitweg begint waar die vanzelfsprekendheid wordt onderbroken.

Dat kan klein zijn. Je merkt dat je iets niet wilt en spreekt het uit voordat je het hebt weggeredeneerd. Je laat een teleurstelling bij de ander bestaan zonder haar onmiddellijk te herstellen. Je blijft bij wat je hebt ervaren, ook wanneer iemand daar een andere verklaring voor geeft.

In het begin kan dat schuld oproepen. Als je nabijheid lang hebt verbonden met aanpassen, voelt een grens gemakkelijk alsof je iets beschadigt. Dat gevoel laat zien hoe diep de oude afspraak zit.

Ook achter het grote masker ligt een vergelijkbare opgave: kunnen verdragen dat je beperkt bent, iemand hebt gekwetst of iets nodig hebt, zonder dat je hele waarde als mens daardoor verdwijnt. Dat vraagt bereidheid om naar jezelf te kijken. Een ander kan die stap niet voor je zetten.

Authenticiteit krijgt hier een heel concrete betekenis. Wat je voelt, ziet en nodig hebt, mag weer meewegen in hoe je leeft. Je hoeft het niet eerst passend te maken voor het beeld waarmee je liefde of veiligheid probeert vast te houden.

Daarmee verandert ook het geven. Je kunt iets voor een ander doen zonder dat je plaats in de relatie ervan afhangt. Je kunt begrijpen wat iemand heeft gevormd en tegelijk voelen waar jouw grens ligt.

Er ontstaat ruimte om verbonden te zijn terwijl je zelf aanwezig blijft.

En in die ruimte wordt langzaam voelbaar hoeveel van je leven gericht was op het veiligstellen van iets wat je nooit had hoeven verdienen: de mogelijkheid om er te zijn zoals je bent.