The Knowledge of Good and Evil
Over kennis van goed en kwaad als bewustzijnslaag: de beweging van onbewuste eenheid via onderscheid naar eenheid die het onderscheid heeft gekend.

The Knowledge of Good and Evil
De ogen gaan open
Adam en Eva zijn al die tijd naakt.
Hun lichamen veranderen niet wanneer zij van de boom eten. De tuin verandert niet. Ook God is niet ineens ergens anders. Toch is hun ervaring van de werkelijkheid in één ogenblik volkomen anders geworden.
Vóór de vrucht zijn zij naakt zonder zichzelf als naakt te zien. Er bestaat nog geen blik waarmee zij van een afstand naar hun lichaam kijken. Ze bevinden zich in het leven zoals een dier zich in het leven bevindt: zonder zichzelf voortdurend als afzonderlijk wezen te beoordelen.
Dan verschijnt de slang.
Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom van kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten.
Genesis 2:16-17
De slang belooft hun niet zomaar meer informatie. Hij zegt dat hun ogen zullen opengaan.
Uw ogen zullen geopend worden, en gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad.
Genesis 3:5
Wanneer Adam en Eva van de vrucht eten, gebeurt precies dat.
Toen werden hun beider ogen geopend en zij bemerkten dat zij naakt waren.
Genesis 3:7
Het eerste gevolg is niet straf, maar bewustzijn.
Voor het eerst kunnen zij zichzelf zien zoals ze ook iets buiten zichzelf zien. Hun lichaam wordt een object in hun eigen waarneming. Meteen verschijnt er een verschil tussen hoe zij zijn en hoe zij denken dat zij zouden moeten zijn. Ze bedekken zich en verbergen zich.
Daar ontstaat schaamte.
De kennis van goed en kwaad is daarom groter dan het leren van een paar morele regels. Zij is het vermogen om onderscheid te maken. Goed en kwaad, juist en fout, zelf en ander, wat is en wat zou moeten zijn. De mens bevindt zich niet langer alleen in de ervaring, maar kan ernaast gaan staan en haar beoordelen.
Er verschijnt afstand in het bewustzijn.
Hetzelfde verhaal
De slang komt niet alleen in Genesis voor als figuur rond kennis en verandering. In uiteenlopende tradities verschijnt zij bij genezing, wedergeboorte en verborgen inzicht. Zij beweegt dicht langs de aarde, verdwijnt onder de grond en komt na het afwerpen van haar huid als vernieuwd tevoorschijn. In de esculaap kronkelt zij rond een staf als teken van geneeskunde.
Met moderne ogen doet zo’n kronkelende vorm soms denken aan DNA. Dat bewijst op zichzelf niets, maar het past wel in een terugkerend patroon waarin de slang verschijnt op het moment dat leven van vorm verandert of toegang krijgt tot een nieuwe mogelijkheid.
In de interpretaties van oude Mesopotamische teksten door Zecharia Sitchin krijgt dat patroon een andere vorm. Daar wordt de ontwikkeling van de mens verbonden aan de Anunnaki en aan een conflict tussen Enki en Enlil. Enki helpt de mens kennis en zelfstandigheid te verkrijgen. Enlil ziet juist gevaar in een mens die zijn oorspronkelijke begrenzing overstijgt.
Ook hier draait het verhaal om een wezen dat meer wordt dan waarvoor het aanvankelijk bestemd leek. De mens krijgt toegang tot kennis, maar wordt daardoor ook moeilijker te beheersen.
Genesis bevat dezelfde spanning. Eerst klinkt:
Laat ons mensen maken naar ons beeld.
Genesis 1:26
Later zegt de slang dat de mens door de vrucht als God zal worden, kennende goed en kwaad. De mens draagt dus al iets van het goddelijke in zich, maar betreedt met deze kennis een nieuwe laag daarvan. Hij kan niet alleen bestaan binnen de schepping. Hij kan haar waarnemen, interpreteren en door zijn keuzes mede vormgeven.
Of al deze verhalen historisch uit dezelfde bron voortkomen, is uiteindelijk niet de belangrijkste vraag. Interessanter is dat zij dezelfde overgang herkennen. Er verschijnt een moment waarop de mens zijn directe verbondenheid met het leven verliest, maar daarvoor iets terugkrijgt wat zonder die afstand niet mogelijk was.
Zelfbewustzijn.
De geboorte van het ik
Met zelfbewustzijn ontstaat het ik dat naar zichzelf kan kijken.
Dat ik is niet per definitie een fout. Zonder een afzonderlijk perspectief zou er geen reflectie zijn, geen verbeelding en geen bewuste keuze. De mens zou handelen vanuit zijn natuur, zoals een plant naar het licht groeit of een dier reageert op wat het waarneemt.
Maar zodra de mens zichzelf kan zien, kan hij zichzelf ook vergelijken. Hij kan zich voorstellen hoe anderen hem bekijken. Hij kan afwijzing vrezen, erkenning zoeken en een beeld opbouwen van wie hij denkt te moeten zijn.
Het ego ontstaat binnen die ruimte. Het probeert de afzonderlijke identiteit te beschermen die door het bewustzijn zichtbaar is geworden. Schaamte vertelt ons dat er iets mis is met wie we zijn. Schuld vertelt ons dat we iets hadden moeten voorkomen. Angst probeert vooruit te kijken, zodat we de volgende pijn kunnen ontlopen. Controle ontstaat als poging om de afstand tussen de werkelijkheid en het gewenste beeld te beheersen.
Religieuze tradities spreken hier over zonde. Psychologie spreekt over conditionering en ego. Andere tradities gebruiken woorden als karma: handelingen en overtuigingen die zichzelf blijven herhalen en zo een patroon vormen.
Het zijn verschillende talen voor eenzelfde beweging. De mens maakt onderscheid, hecht betekenis aan dat onderscheid en begint vervolgens te leven binnen de wereld die daardoor ontstaat.
Wat in één mens gebeurt, verschijnt ook tussen mensen. Goed en kwaad worden groepen waartoe je wel of niet behoort. Zelf en ander worden wij en zij. De behoefte om een identiteit te beschermen groeit uit tot competitie, uitsluiting en strijd.
De kennis waarmee we de werkelijkheid leren begrijpen, kan zo ook de werkelijkheid steeds verder verdelen.
Toch is deze bewustzijnslaag niet alleen een val.
De mogelijkheid van keuze
Vóór het onderscheid bestaat er onschuld, maar nog geen bewuste liefde. Wie geen andere mogelijkheid kent, kan ook niet werkelijk kiezen.
Pas wanneer de mens zichzelf als afzonderlijk ervaart, ontstaat de mogelijkheid om ondanks die ervaring voor verbinding te kiezen. Hij kan zich terugtrekken in angst, maar ook vertrouwen. Hij kan de ander als bedreiging zien, maar ook proberen te begrijpen. Hij kan zijn vermogen gebruiken om alleen zichzelf te beschermen, of om iets bij te dragen aan het grotere geheel waarvan hij zich tijdelijk afgescheiden voelt.
Daarin ligt de scheppende capaciteit van de mens.
Iedere gedachte, handeling en interpretatie voegt iets toe aan de werkelijkheid waarin anderen verder leven. De mens ontvangt de wereld niet alleen. Hij helpt haar voortdurend ontstaan.
De kennis van goed en kwaad geeft hem daarmee geen eenvoudige lijst van juiste en verkeerde handelingen. Zij maakt hem gevoelig voor richting. Iedere keuze kan de ervaring van afgescheidenheid versterken of er iets van oplossen.
Kwaad hoeft dan geen zelfstandige kracht te zijn die tegenover het goede staat. Het kan worden begrepen als de beweging waarin liefde, herkenning en verbondenheid verdwijnen. Niet omdat iemand buiten het geheel is gevallen, maar omdat hij het geheel niet meer in de ander herkent.
Jezus’ woorden krijgen vanuit die gedachte een andere lading:
Heb uw naaste lief als uzelf.
Marcus 12:31
Zolang zelf en ander absoluut gescheiden lijken, klinkt dit als een morele opdracht. Behandel die andere persoon ongeveer zoals je jezelf behandelt.
Wanneer de grens minder absoluut wordt, kan dezelfde uitspraak letterlijker worden gelezen. Heb de ander lief als jezelf, omdat de ander niet volledig los van jou bestaat. Wat je aan de ander doet, gebeurt binnen hetzelfde geheel waarvan jij deel bent.
De kennis van goed en kwaad hoeft dan niet overwonnen te worden. We hoeven niet te doen alsof er geen verschillen bestaan en ook niet terug naar een toestand waarin we onszelf nog niet konden zien. De geopende ogen kunnen niet opnieuw gesloten worden.
De beweging gaat vooruit.
Eerst is er eenheid zonder zelfwaarneming. Daarna ontstaat onderscheid en lijkt ieder deel op zichzelf te staan. Binnen die afzondering ontstaan schaamte, angst, verlangen, keuze en verantwoordelijkheid. Uiteindelijk kan hetzelfde bewustzijn ontdekken dat onderscheid niet hetzelfde is als werkelijke afgescheidenheid.
De delen blijven zichtbaar, maar worden opnieuw als delen van hetzelfde geheel ervaren.
Misschien beschrijft het verhaal van Adam en Eva daarom niet alleen hoe de mens uit de tuin viel. Het beschrijft het moment waarop bewustzijn zichzelf begon te verdelen, zodat het zichzelf uiteindelijk bewust als eenheid kon herkennen.
Niet de onschuld van vóór de keuze.
De eenheid die het onderscheid heeft gekend.