SamenlevingCirca 7 minuten

Het hokje is niet verkeerd

Een hokje kan iets waars over iemand zeggen en toch te klein zijn voor de manier waarop diegene denkt en zich ontwikkelt.

Een grote hexagonale vorm zweeft boven een honingraat van kleinere cellen en omvat meerdere cellen tegelijk.

Het hokje is niet verkeerd

Wanneer iemand vraagt wat je doet, verwacht diegene meestal één antwoord.

Developer. Docent. Kunstenaar. Ondernemer.

Zo’n antwoord maakt je begrijpelijk. Het geeft de ander een plek om je neer te zetten en vult meteen een deel van het beeld in. Een developer weet iets van computers. Een docent kan uitleggen. Een kunstenaar maakt dingen. Het is een efficiënte manier om niet bij iedere ontmoeting een volledig mens te hoeven doorgronden.

Maar het blijft zelden bij een beschrijving.

Uit het hokje volgen verwachtingen over wat iemand interessant vindt, hoe diegene denkt, bij welke mensen hij hoort en waarover hij waarschijnlijk iets zinnigs kan zeggen. Het woord wijst niet alleen aan wat iemand doet. Het begint ook te bepalen wat verder nog bij hem past.

Dat gebeurt met bijna alles.

Nederlander. Gereformeerd. Opgegroeid in een klein dorp en een groot gezin. Voetballer. Iemand die heeft gereisd. Iemand uit een probleemrelatie. Single vader. Iets met computers. Developer. Front-ender.

Geen van die aanduidingen hoeft onwaar te zijn. Dat is juist wat een hokje zo overtuigend maakt. Het bevat een zichtbare waarheid over iemand. Het probleem ontstaat wanneer die gedeeltelijke waarheid wordt gebruikt als omtrek van de hele persoon.

Een afkomst wordt dan een verklaring voor hoe iemand denkt. Een beroep bepaalt waar zijn kennis ophoudt. Een levensfase wordt een identiteit. Een eerste indruk groeit uit tot een imago waar latere waarnemingen in moeten passen.

Wanneer dat niet lukt, ontstaat verwarring.

Hè? Jij was toch zo?

Voor sommige mensen blijft dat ongemak beperkt. Hun opleiding, beroep, interesses en sociale omgeving vormen een herkenbare lijn. De categorie waarin zij terechtkomen, past misschien niet volledig, maar biedt voldoende ruimte om zich erin te bewegen.

Bij conceptueel hoogbegaafde mensen kan de afstand tussen het hokje en de manier van denken veel groter worden.

Conceptueel denken beweegt namelijk niet vanzelf langs de grenzen van een vakgebied. Het zoekt naar de structuur eronder. Welke aannames worden hier gemaakt? Welke krachten sturen het geheel? Welke terugkoppelingen houden het in stand? Waarom werkt iets op de ene plaats wel en op de andere niet?

Zulke structuren komen in verschillende domeinen terug. Een patroon uit software kan iets zichtbaar maken in een organisatie. Een inzicht uit psychologie kan helpen om een religieuze beweging te begrijpen. Economie, groepsvorming, technologie, kunst en macht blijken geen afgesloten werelden, maar verschillende plaatsen waar vergelijkbare mechanismen werkzaam zijn.

Wie zulke structuren gemakkelijk herkent, begint in een nieuw vakgebied niet helemaal opnieuw. Nieuwe informatie krijgt sneller betekenis omdat zij verbonden kan worden met modellen die al bestaan. De begrippen zijn anders, maar een deel van de onderliggende beweging is bekend.

Dat kan tot een polymathische breedte leiden. Niet doordat iemand in ieder vakgebied specialist is, maar doordat kennis zich bij diegene minder goed laat opsluiten binnen één vakgebied. Een vraag trekt vanzelf andere vragen aan. Wie een systeem probeert te begrijpen, komt al snel terecht bij de mens die het gebruikt, de organisatie die het beheert, de belangen die het vormen en de overtuigingen waarop het rust.

Van buitenaf kan dat moeilijk te plaatsen zijn. Iemand die vandaag over technologie spreekt en morgen over religie, psychologie of kunst, lijkt voortdurend van onderwerp te veranderen. Vanuit het conceptuele denken gebeurt juist het tegenovergestelde. Het onderwerp blijft in wezen hetzelfde. Alleen de verschijningsvorm verandert.

Daar ontstaat de botsing met een samenleving die kennis vooral per vakgebied organiseert.

Geloofwaardigheid wordt meestal verticaal opgebouwd. Iemand volgt een opleiding, verdiept zich in één domein, verzamelt ervaring en krijgt daarbinnen steeds meer gezag. Hoe langer iemand in het vak blijft, hoe steviger zijn positie.

De conceptuele denker beweegt daarnaast ook horizontaal. Niet door ieder vakgebied volledig te beheersen, maar door overeenkomsten en verschillen tussen gebieden te herkennen. Daardoor kan iemand betrekkelijk snel begrijpen hoe een onbekend systeem werkt. Soms ziet hij ook snel waar het niet werkt.

Dat laatste levert gemakkelijk weerstand op.

Het is mogelijk om een denkfout te herkennen zonder alle details van een vak te kennen. Een redenering kan zichzelf tegenspreken. Een systeem kan berusten op een aanname die elders allang ondeugdelijk is gebleken. Een specialist kan zo gewend raken aan de taal en gewoonten van zijn vak dat bepaalde uitgangspunten niet meer als keuzes worden gezien.

Toch staat bij een meningsverschil de erkende specialist tegenover iemand die volgens zijn maatschappelijke hokje ergens anders thuishoort. Dan wordt niet alleen gevraagd of de waarneming klopt. Eerst wordt beoordeeld of deze persoon wel degene kan zijn die zoiets ziet.

Jij was toch front-ender?

Het hokje heeft dan een tweede functie gekregen. Het beschrijft niet meer waar iemand ervaring heeft opgedaan, maar begrenst waar diens begrip geloofwaardig mag zijn.

Dat betekent niet dat de brede denker automatisch gelijk heeft. Het herkennen van patronen brengt een eigen risico mee. Twee systemen kunnen op elkaar lijken en toch op een beslissend punt verschillen. Een specialist kent details, uitzonderingen en eerdere mislukkingen die van buitenaf niet zichtbaar zijn. Langdurige verdieping kan een intuïtief aantrekkelijk model volledig onderuit halen.

Conceptueel inzicht vervangt specialistische kennis daarom niet. Het is een andere vorm van inzicht. De specialist ziet wat pas zichtbaar wordt na lang verblijf binnen één domein. De conceptuele denker kan zien wat pas opvalt wanneer meerdere domeinen naast elkaar worden gelegd. Ze corrigeren elkaar wanneer beide serieus worden genomen.

In de praktijk gebeurt dat niet altijd. Wie buiten zijn erkende gebied iets ziet, moet vaak eerst bewijzen dat hij daar iets mag zien.

Daar kan een sterke bewijsdrang uit ontstaan.

Een inzicht dat in één beweging verschijnt, moet achteraf worden teruggebracht tot een reeks controleerbare stappen. Alle verbanden moeten worden uitgelegd. Iedere aanname moet worden onderbouwd. Wat voor de één al als samenhang zichtbaar is, bestaat voor de ander pas wanneer de volledige route ernaartoe is afgelegd.

Het verschil in tempo kan frustrerend zijn. Niet omdat langzaam denken minderwaardig is, maar omdat beide mensen zich op een ander punt in hetzelfde proces bevinden. De een probeert al verder te denken vanuit het patroon. De ander is nog bezig vast te stellen of de afzonderlijke verbindingen wel bestaan.

Wanneer dat vaak gebeurt, kan nieuwsgierigheid in obsessie veranderen. Het is niet meer genoeg om iets te zien. Het moet volledig worden uitgezocht, gebouwd of bewezen. Niet alleen om het onderwerp te begrijpen, maar om erkenning te krijgen voor het vermogen het te kunnen begrijpen.

Ook het verwijt van betweterigheid ligt dichtbij. Wie binnen verschillende domeinen snel patronen herkent, begeeft zich regelmatig buiten het terrein waarop anderen hem hebben leren kennen. Voor de buitenwereld lijkt dat op iemand die overal verstand van denkt te hebben. Voor de conceptuele denker gaat het niet om het bezitten van alle kennis. Hij herkent een structuur en wil weten of die herkenning standhoudt.

Hetzelfde verschil kan ervoor zorgen dat iemand zich moeilijk ergens volledig thuis voelt.

Groepen ontstaan vaak rond een gedeeld vak, een afkomst, een overtuiging, een levensstijl of een ervaring. Binnen zo’n groep bestaat een impliciet beeld van wat de leden met elkaar gemeen hebben. Wie voortdurend verbanden ziet met werelden daarbuiten, kan werkelijk deelnemen en toch merken dat geen enkele omgeving het geheel omvat.

Niet omdat ieder hokje onwaar is. Niet omdat het een mens noodzakelijk beschadigt. Het past alleen nooit volledig.

Iemand kan developer zijn zonder dat zijn denken bij software eindigt. Hij kan uit een gereformeerde omgeving komen zonder dat die omgeving de grens van zijn levensbeschouwing bepaalt. Hij kan voetballer, reiziger of single vader zijn zonder dat een van die woorden verklaart wie hij verder nog kan worden.

Het onbehagen ontstaat wanneer een tijdelijke of gedeeltelijke beschrijving wordt behandeld als een vaste identiteit. Een mens die zich verder ontwikkelt, lijkt dan telkens af te wijken van wie hij volgens anderen was.

Terwijl niet de mens tegenstrijdig hoeft te zijn. Het beeld was alleen te klein.

Hokjes blijven nuttig. Zonder categorieën zou de sociale werkelijkheid onwerkbaar worden. Het probleem zit niet in het indelen zelf, maar in het vergeten dat iedere indeling voorlopig is.

Een hokje kan aangeven waar iemand zichtbaar is geworden. Het kan nooit vaststellen waar diens vermogen eindigt.

Wie een mens met één juist woord beschrijft, kan hem nog steeds volledig verkeerd begrijpen.