PsychologieCirca 2 minuten

Conceptueel Denken en de Last van Hoofdleren

Over hoofden die in patronen denken en vastlopen op uit het hoofd leren.

Conceptueel Denken en de Last van Hoofdleren

Mensen verwerken kennis niet allemaal op dezelfde manier. Een belangrijke variatie ligt in wat je een cognitieve voorkeur kunt noemen: de manier waarop een brein van nature informatie ordent.

Sommige mensen denken vooral in feiten. Andere denken vooral in concepten en verbanden.

Een feitgerichte denker kan een uitspraak zoals “de lucht is blauw” eenvoudig opslaan als kennis. Het wordt een blokje informatie dat later weer kan worden opgeroepen.

Voor een conceptuele denker werkt dat anders.

Wanneer hij hoort: “de lucht is blauw”, ontstaat er geen stabiel feit in zijn hoofd, maar een reeks vragen:

  • Soms is de lucht rood bij zonsondergang.
  • ’s Nachts is ze zwart.
  • Bij bewolking grijs.
  • Soms wit.
  • En fysisch gezien is lucht zelf kleurloos; het blauw ontstaat door verstrooiing van licht.

De uitspraak voelt daarom niet als een feit, maar als een onvolledig model. Het brein probeert eerst te begrijpen onder welke omstandigheden de uitspraak klopt en hoe zij past in een groter geheel.

Conceptuele denkers bouwen geen stapels feiten. Ze bouwen systemen van samenhang.

Daarom botst deze manier van denken vaak met hoofdleren.

Hoofdleren vraagt dat kennis wordt opgeslagen als losse eenheden die later precies zo kunnen worden herhaald. Maar een conceptueel brein wil eerst begrijpen waar een uitspraak thuishoort in het geheel.

Dat verschil wordt vooral zichtbaar tijdens examens.

Stel dat de eerste vraag luidt:

Vraag 1: Welke kleur is de lucht?

Voor een feitgerichte denker is dit eenvoudig. Het verwachte antwoord is blauw. De vraag wordt ingevuld en het werk gaat verder.

Voor een conceptuele denker ontstaat er een kleine spanning. Niet omdat het antwoord onbekend is, maar omdat de vraag te simpel is voor het denkproces dat automatisch op gang komt.

Zijn gedachten kunnen bijvoorbeeld gaan naar:

  • Bedoelen ze overdag?
  • Wat met zonsondergang?
  • Of bewolking?
  • Is lucht zelf eigenlijk wel gekleurd?
  • Gaat dit over perceptie of fysica?

Het brein probeert de vraag eerst conceptueel correct te maken voordat het antwoord kan geven.

Het systeem verwacht één woord. Het brein ziet een model.

Daar ontstaat de stress die sommige conceptuele denkers bij examens voelen. Niet omdat zij minder begrijpen, maar omdat zij meer context zien dan de vraag toelaat.

Vaak lijken zulke denkers in het begin trager. Ze nemen minder snel genoegen met eenvoudige antwoorden en zoeken eerst naar de onderliggende structuur. Maar wanneer dat model eenmaal gevormd is, blijkt hun begrip vaak dieper en duurzamer.

Deze manier van denken komt relatief vaak voor bij hoogbegaafde mensen, omdat hun brein zeer snel verbanden en inconsistenties ziet. Toch is conceptueel denken op zichzelf geen kwestie van intelligentieniveau. Het is vooral een voorkeur voor systeemdenken boven feitverzameling.

Wat voor de één een feit is, is voor de ander een vraag naar het systeem waar dat feit deel van uitmaakt.