ReligieCirca 10 minuten

De omkering van de boodschap

Hoe een boodschap van bevrijding kan veranderen in bewaakte toegang, en hoe Jezus’ eigen woorden die omkering zichtbaar maken.

Een eenvoudige keramische schaal met water staat omsloten door gebogen bronzen ribben die boven het water samenkomen.

De omkering van de boodschap

Op het tempelplein staan de tafels van de geldwisselaars. Er worden runderen, schapen en duiven verkocht. Mensen komen er om hun geloof te beoefenen, anderen verdienen er hun geld. Alles heeft zijn plaats gekregen binnen een orde die al lang bestaat.

Dan verschijnt Jezus. Hij gooit de tafels omver, verspreidt het geld over de grond en jaagt de handel het tempelplein af. In het evangelie van Johannes verwijt hij de verkopers dat zij van het huis van zijn Vader een markt hebben gemaakt.1

Het is een ontregelend beeld. Wat voor de aanwezigen een vanzelfsprekend onderdeel van hun religie is geworden, wordt door hem ter discussie gesteld.

De tempelreiniging vertelt op zichzelf niet dat Jezus iedere vorm van offer of religieuze bemiddeling afwees. Maar het verhaal opent wel een vraag die door zijn optreden heen blijft terugkomen: wat gebeurt er wanneer de georganiseerde toegang tot het heilige de levende verbinding ermee begint te verdringen?

Die vraag wordt ongemakkelijk zodra je haar ook stelt aan de religie die rond hem is ontstaan.

Wat hij zelf onderwijst

Wie de woorden van Jezus in de evangeliën volgt, vindt concrete aanwijzingen voor hoe mensen met elkaar kunnen leven.

Wanneer zijn leerlingen zich bezighouden met hun toekomstige positie, spreekt hij over de heersers die volken onderdrukken en hun macht misbruiken. Daarop volgt een duidelijke grens:

Zo mag het bij jullie niet gaan.

Marcus 10:43, NBV21

Hij verbindt aanzien vervolgens aan dienstbaarheid. Wie voorop wil staan, krijgt verantwoordelijkheid voor de anderen. Zijn gemeenschap moet een andere verhouding tot macht ontwikkelen dan de wereld om haar heen.2

In Matteüs waarschuwt hij voor religieuze verheffing. Zijn leerlingen moeten zich niet boven elkaar plaatsen door titels en aanspraken op gezag. Ze zijn elkaars broeders en zusters. Even verderop verwijt hij schriftgeleerden en farizeeën dat zij de toegang tot het koninkrijk versperren. De mensen die de weg behoren te wijzen, zijn zelf een belemmering geworden. Jezus voert die kritiek van binnenuit zijn eigen Joodse traditie.3

Ook zijn omgang met mensen maakt die beweging zichtbaar. Wanneer hij wordt bekritiseerd omdat hij met tollenaars en zondaars eet, haalt hij de profeet Hosea aan:

Barmhartigheid wil Ik, geen offers.

Matteüs 9:13, NBV21

De mensen aan tafel worden niet eerst op afstand gehouden totdat zij aan de verwachtingen van hun omgeving voldoen. De ontmoeting vindt al plaats.4

Die liefde houdt bovendien niet op bij de grens van de eigen gemeenschap. In de Bergrede zegt hij:

heb je vijanden lief

Matteüs 5:44, NBV21

Hij verbindt dat aan de Vader, die zon en regen geeft aan goede én slechte mensen. Wie alleen liefheeft binnen de vertrouwde kring, blijft afhankelijk van hetzelfde onderscheid dat mensen tegenover elkaar plaatst.5

Daar ontstaat voor mij een herkenbare lijn. Een mens leert verantwoordelijkheid dragen voor zijn handelen, zonder zijn vermogen tot liefde uit te besteden aan de goedkeuring van een groep. Religieuze vormen moeten die beweging ondersteunen. Zodra zij haar blokkeren, mogen ook die vormen worden bevraagd.

Wanneer schuld de toegang bepaalt

Het verschil wordt voelbaar in wat een mens over zichzelf leert geloven.

Je kunt erkennen dat je anderen beschadigt, jezelf voor de gek houdt en uit angst handelt. Dat inzicht kan iets openen. Je ziet wat je doet, neemt verantwoordelijkheid en ontdekt dat een andere manier van leven mogelijk is.

Maar schuld kan ook je uitgangspunt worden. Nog voordat je iets hebt gedaan, leer je dat er iets fundamenteel mis met je is. Je eigen waarneming is onbetrouwbaar. Je verlangens zijn verdacht. Je hebt redding nodig voordat je jezelf kunt vertrouwen.

Wanneer een religieuze omgeving vervolgens ook bepaalt hoe die redding verkregen wordt, ontstaat afhankelijkheid. Hetzelfde systeem dat je leert hoe verloren je bent, vertelt je onder welke voorwaarden je veilig bent.

Voor iemand die daarin opgroeit, kan gehoorzaamheid gaan voelen als vertrouwen. Je onderdrukt een vraag omdat je de verbinding met God niet wilt verliezen. Je wantrouwt een inzicht omdat het buiten de toegestane uitleg valt. Liefde blijft de naam van het geheel, terwijl angst je bewegingen stuurt.

Een boodschap van bevrijding kan zo worden doorgegeven op een manier die mensen gevangen houdt.

De man die zelf het offer wordt

Vanuit die spanning krijgt het tempelplein een wrange betekenis.

De man die de religieuze handel verstoort, wordt zelf het centrale offer binnen het christelijke verhaal. Zijn dood krijgt betekenis als verzoening voor de zonden van de mens. Bij Paulus staat die uitleg nadrukkelijk op de voorgrond, onder meer in Romeinen 3.6

Voor veel gelovigen betekent dat juist bevrijding. De schuld is gedragen en vergeving hoeft niet verdiend te worden. In die lezing verliest de religieuze boekhouding haar macht.

Dat maakt de omkering moeilijk te herkennen. Het offer wordt immers voorgesteld als het grootste bewijs van Gods liefde. God heeft de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon geeft, zoals Johannes 3:16 vertelt. Wie zou daarin iets anders dan liefde herkennen?7

Maar kijk naar de reden waarom dat offer in deze uitleg noodzakelijk is. Je bent zo verdorven dat de verbinding met God voor jou onbereikbaar is geworden. Iemand anders moet jouw schuld dragen voordat die verbinding hersteld kan worden. Je redding ligt buiten je, en jouw veiligheid hangt af van het aanvaarden daarvan.

Daar verandert ook wat je over jezelf leert geloven. De mogelijkheid om van binnenuit tot inzicht, liefde en een andere manier van leven te komen, raakt ondergeschikt aan de overtuiging dat je uit jezelf nooit genoeg kunt zijn. Je leert je eigen innerlijk te wantrouwen, terwijl juist daar de verandering zou moeten plaatsvinden.

Voor mij gaat de offeruitleg hier tegen de bevrijdende beweging van Jezus’ boodschap in. Wat de afstand tot God zou moeten opheffen, prent die afstand eerst diep in je zelfbeeld. Er is betaald, maar de boekhouding blijft bestaan. Je wordt voortdurend herinnerd aan wat er aan jou ontbreekt en aan de voorwaarden waaronder je toch mag worden aangenomen.

Het zou te eenvoudig zijn om Paulus tot de veroorzaker van die omkering te maken. Ook hij schrijft over innerlijke vernieuwing, oprechte liefde en het zegenen van vervolgers. De beweging die later onder religieuze controle kan verdwijnen, is ook in zijn brieven aanwezig.8

De omkering ontstaat waar de uitleg over bevrijding belangrijker wordt dan de bevrijding zelf. Rond Jezus kan opnieuw een stelsel groeien van schuld, voorwaarden en bewaakte toegang, terwijl iedereen ervan overtuigd blijft zijn boodschap te beschermen.

Wanneer Rome de boodschap gaat bewaken

Met Rome krijgt die verschuiving een politieke dimensie.

Jezus wordt onder Romeins gezag gekruisigd. Enkele eeuwen later raakt de beweging rond hem verbonden met de keizerlijke macht van datzelfde rijk.

In 325 roept Constantijn de bisschoppen bijeen voor het concilie van Nicea. Een theologisch conflict over de verhouding tussen Jezus en God wordt daarmee ook een zaak van keizerlijk belang. De eenheid van de kerk raakt verweven met de eenheid die de keizer wil bewaren.9

In het Edict van Thessalonica uit 380 wordt die verbinding nog concreter. De keizers schrijven een geloofsrichting voor, verbinden daaraan de erkende christelijke naam en bestempelen afwijkende gelovigen als ketters. Naast goddelijke bestraffing kondigt de tekst ook bestraffing door het keizerlijke gezag aan.10

Daar krijgt het bewaken van de juiste uitleg de kracht van de staat.

Dat betekent niet dat Rome het christendom uitvond, of dat er vóór Constantijn geen leerstellingen en conflicten bestonden. Het betekent wel dat een geloofsgeschil een andere werkelijkheid wordt zodra de overheid kan afdwingen welke uitleg geldt.

Naast de woorden van Jezus over dienstbaarheid komt nu een apparaat te staan dat gehoorzaamheid kan eisen. De gemeenschap die haar verhouding tot macht moest onderzoeken, krijgt zelf toegang tot macht.

Voor mij ligt daarin een wezenlijke omkering. De naam van Jezus kan gezag verlenen aan een orde die zich steeds minder door zijn woorden laat corrigeren.

Wat de oude teksten zichtbaar maken

De geschiedenis kan achteraf gesloten gaan lijken. Het geloof dat uiteindelijk dominant werd, voelt dan als de vanzelfsprekende vorm die vanaf het begin al aanwezig was.

De Dode Zeerollen openen dat beeld weer.

De handschriften uit de grotten van Qumran komen uit de eeuwen vóór en rond het leven van Jezus. Ze bewaren Bijbelteksten, gebeden, uitleggingen en gemeenschapsregels uit een veelvormige Joodse religieuze wereld. Sommige teksten worden met de Essenen verbonden, al bestaat over de precieze herkomst en samenstelling discussie.11

Daarmee komen we dichter bij de wereld waarin Jezus sprak, vóór de latere christelijke geloofsorde haar vaste vorm kreeg.

Die rollen bevatten geen verborgen, complete leer van Jezus. Ook de gemeenschap die in de Gemeenschapsregel verschijnt, kende een priesterlijke hiërarchie. Ouderdom maakt een traditie niet vanzelf vrijer.12

Hun betekenis ligt elders. Ze laten zien hoeveel religieuze taal, verwachting en praktijk er al bestond buiten het kader waarmee latere christenen naar hun oorsprong zijn gaan kijken. De wereld waaruit Jezus voortkwam, was groter dan de latere afbakening ervan.

Daar ontstaat een merkwaardige mogelijkheid. Iemand kan zo vertrouwd raken met de grenzen van zijn overgeleverde geloof, dat het onderzoeken van die oudere wereld al verdacht voelt. Wat helpt om de oorsprong te begrijpen, kan worden ervaren als een bedreiging voor de vorm die uit die oorsprong is voortgekomen.

Hetzelfde kan gebeuren met Jezus’ eigen woorden. Zijn kritiek op religieus gezag blijft aanvaardbaar zolang zij uitsluitend over de leiders van toen gaat. Zodra iemand die kritiek op de eigen gemeenschap betrekt, kan zij worden opgevat als ongehoorzaamheid.

De woorden mogen blijven staan, zolang zij de bestaande verhoudingen niet werkelijk veranderen.

Wat er van de boodschap overblijft

Toch is de beweging die ik in Jezus herken nooit volledig verdwenen. Ze kan ook binnen een kerk, een traditie en een overgeleverde geloofstaal levend blijven.

In een gemeenschap waar iemand een moeilijke vraag mag stellen zonder zijn plaats te verliezen. In vergeving die ruimte maakt om verantwoordelijkheid te nemen. In iemand die een buitenstaander ontmoet zonder eerst te hoeven bepalen of diens overtuiging wel klopt.

Daar wordt de inhoud van de boodschap zichtbaar in wat mensen met elkaar doen.

Volgens Johannes noemt Jezus de onderlinge liefde als het herkenningsteken van zijn leerlingen. In Matteüs waarschuwt hij dat het aanroepen van zijn naam op zichzelf niet genoeg is. Het gaat ook om het handelen naar de wil van zijn Vader.13

Voor mij ligt daar de toets die een religie open moet kunnen houden. Wat gebeurt er met mensen die haar serieus nemen? Groeit hun vermogen om eerlijk te kijken en lief te hebben? Kunnen zij hun fouten erkennen zonder hun eigen bestaan als een fout te gaan ervaren? En blijft er verbinding mogelijk wanneer zij de uitleg van hun gemeenschap niet langer kunnen onderschrijven?

Ik kom dan weer uit bij het tempelplein. Bij de tafels die hun vanzelfsprekende plaats hebben gekregen, de mensen die erop vertrouwen en de ontregeling die ontstaat wanneer iemand vraagt of dit nog dient waarvoor het bedoeld was.

Die vraag blijft ook nodig wanneer boven de ingang inmiddels de naam van Jezus staat.

Footnotes

  1. Johannes 2:13–22, NBV21. ↩

  2. Marcus 10:42–45, NBV21. ↩

  3. Matteüs 23:8–13, NBV21. ↩

  4. Matteüs 9:10–13, NBV21. ↩

  5. Matteüs 5:43–48, NBV21. ↩

  6. Romeinen 3:21–26, NBV21. ↩

  7. Johannes 3:16–17, NBV21. ↩

  8. Romeinen 12:1–21, NBV21. ↩

  9. Brian Hyland, The Council of Nicaea Explained by an Exciting New Acquisition, Museum of the Bible. ↩

  10. Edict van Thessalonica (380), Latijnse tekst en Engelse vertaling, beschikbaar via de Karelsuniversiteit. ↩

  11. Israel Antiquities Authority, Introduction to the Dead Sea Scrolls. ↩

  12. Israel Antiquities Authority, Featured Scrolls: Community Rule. ↩

  13. Johannes 13:34–35, NBV21 en Matteüs 7:15–24, NBV21. De Bijbelcitaten in dit essay zijn uit de NBV21, © 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. ↩