BewustzijnCirca 4 minuten

De knoflookpers

De knoflookpers als beeld voor het ene dat zich in vele sliertjes uitdrukt.

De knoflookpers

Laatst moest ik ineens aan een knoflookpers denken.

Niet omdat ik knoflook nodig had, maar omdat ik probeerde na te denken over bewustzijn.

Stel je een homp Play-Doh voor.

Je legt hem in een knoflookpers en knijpt langzaam.

Eerst verschijnt er één klein bolletje in een van de gaatjes. Een eerste stukje dat aan de andere kant zichtbaar wordt en, als het zichzelf zou kunnen waarnemen, misschien zou denken: hé, leuk, ik ben iets nieuws.

Dan verschijnt er nog een.

En nog een.

Steeds meer kleine punten komen tevoorschijn. Ze groeien uit tot korte sliertjes en worden langer naarmate de druk toeneemt. Als je alleen naar zo’n sliertje kijkt, lijkt het een zelfstandig ding. Het heeft zijn eigen plek, zijn eigen richting en zijn eigen vorm.

Misschien kijkt dat ene sliertje opzij en ziet het de anderen ontstaan.

“Wie zijn jullie?”

“Waarom zit jij in mijn weg?”

“Waarom is jouw gaatje groter dan het mijne?”

Vanuit dat perspectief zijn het logische vragen. Het sliertje ervaart alleen het deel waarin het zelf verschijnt. Het ziet niet de homp achter de pers waar het nog altijd volledig mee verbonden is.

Misschien is bewustzijn op een vergelijkbare manier begonnen.

Niet als duizenden afzonderlijke dingen, maar als iets dat zich steeds verder uitdrukt. Zoals een fractal waarin uit één vorm telkens nieuwe vormen ontstaan. Eerst weinig, dan meer, steeds complexer, steeds rijker aan verschil.

In het begin is daar ruimte voor. Een nieuw perspectief kan zich verwonderen over het feit dat het bestaat. Andere perspectieven verschijnen daarnaast en maken de werkelijkheid groter. Er ontstaat verschil, beweging, ontdekking.

Maar de slierten blijven groeien.

Op een gegeven moment wordt het druk.

Ze raken elkaar. Ze leunen tegen elkaar aan. Ze lopen door elkaars ruimte heen. Wat eerst alleen verschil was, begint nu ook wrijving te veroorzaken.

Daar verschijnt een fundamentele vraag die steeds groter wordt naarmate de ruimte kleiner voelt: zie ik jou als iets dat mij bedreigt, of herken ik in jou iets van hetzelfde waaruit ik zelf besta?

Angst of eenheid.

Vanuit angst wordt het andere sliertje een probleem. Er lijkt te weinig ruimte te zijn, dus moet er verdedigd, begrensd, veroverd of weggeduwd worden. De eigen vorm wordt belangrijker, juist omdat vergeten is waar die vorm vandaan kwam.

Dat patroon is niet moeilijk terug te zien in onszelf. We krijgen een naam, een lichaam, herinneringen, verlangens en overtuigingen. We bouwen families, groepen, landen, religies en bedrijven. We vergelijken ons met elkaar, beschermen wat van ons is en raken soms zo gehecht aan onze eigen vorm dat de ander vooral zichtbaar wordt als iemand die in de weg kan zitten.

Maar de knoflookpers laat nog iets anders zien.

Hoe langer de slierten worden, hoe moeilijker het wordt om volledig los van elkaar te blijven. Ze buigen, raken verstrengeld en worden door hun eigen groei steeds sterker met elkaars bestaan geconfronteerd.

Juist daar kan iets kantelen.

Niet doordat de verschillen verdwijnen, maar doordat zichtbaar wordt dat de afzondering nooit zo absoluut was als zij leek.

Je kunt dan nog steeds een eigen vorm hebben. Een eigen perspectief, geschiedenis en plek. Alleen hoeft dat niet langer te betekenen dat de ander buiten jou staat in een volledig andere werkelijkheid.

Stap een meter naar achteren en het beeld verandert.

Dan zijn er geen losse sliertjes meer die toevallig naast elkaar bestaan. Er is één homp Play-Doh die zich op vele plaatsen tegelijk zichtbaar maakt.

Geen enkel sliertje is ooit losgekomen van de rest.

Alleen aan het uiteinde lijkt dat zo.

Misschien bedoelen mensen iets in die richting wanneer ze zeggen dat God één is, of dat God bewustzijn is.

Niet één wezen naast alle andere wezens, maar één werkelijkheid waarin alle afzonderlijke ervaringen ontstaan. Eén bron die vanuit ontelbare vormen naar zichzelf kijkt.

Dan wordt groei van bewustzijn ook iets anders dan steeds meer weten of steeds spiritueler worden. Misschien is het het langzaam doorzien van de vergissing dat onze vorm hetzelfde zou zijn als onze volledige identiteit.

De slierten hoeven daarvoor niet terug de pers in.

Ze hoeven niet op te houden zichzelf te zijn.

Ze hoeven alleen te herkennen dat zij nooit werkelijk van elkaar gescheiden waren.

Misschien is dat waarom eenheid niet voelt als het uitwissen van verschil, maar juist als het kunnen dragen ervan zonder voortdurend in verdediging te schieten. Je ziet nog steeds de andere vorm, maar niet meer als bewijs dat er twee volledig losse werkelijkheden bestaan.

En misschien is dat ook waarom conflict zo vaak groter wordt naarmate systemen voller en complexer worden. Meer mensen, meer ideeën, meer belangen, meer verbindingen. Alles drukt steeds dichter tegen elkaar aan. De oude ervaring van afzondering komt onder druk te staan.

Dan kan angst toenemen.

Maar precies daar ontstaat ook de mogelijkheid om iets anders te zien.

Dat achter alle namen, grenzen, verhalen en levens nog steeds dezelfde homp zit.

Dat het ene niet verdwenen is toen het vele ontstond.

Het vele is hoe het ene zichzelf is gaan ervaren.

En misschien is dat uiteindelijk de hele beweging: één dat zichzelf uitdrukt in steeds meer vormen, tot die vormen door hun eigen groei opnieuw ontdekken wat er onder hun verschillen altijd al aanwezig was.

De homp was er al die tijd al.