PsychologieCirca 6 minuten

Waarom hoogbegaafd zijn als kind zo verwarrend kan zijn

Over wat er gebeurt wanneer een kind iets begrijpt voordat het dit kan uitleggen, en onbegrip langzaam verandert in wantrouwen tegenover zichzelf.

Een houten frame verdeelt een doorlopend gemarmerd papierpatroon in losse vlakken; buiten het frame wordt de samenhang zichtbaar.

Waarom hoogbegaafd zijn als kind zo verwarrend kan zijn

Je krijgt op school een vraag en weet het antwoord vrijwel onmiddellijk. Voor jezelf voelt het niet eens alsof je hebt nagedacht. Je ziet gewoon hoe het zit.

Dan vraagt iemand hoe je bij dat antwoord bent gekomen.

Op dat moment begint het zoeken. Je probeert terug te lopen door een denkproces dat nooit in afzonderlijke stappen heeft plaatsgevonden. Je noemt iets wat ermee te maken heeft, slaat een paar tussenstappen over en merkt aan de reactie tegenover je dat je uitleg niet overtuigt.

Wat voor jou helder was, wordt ineens twijfelachtig.

Er wordt vaak gedacht dat hoogbegaafdheid voor een kind vooral een voordeel is. Je denkt snel, ziet verbanden en begrijpt dingen eerder dan anderen. Maar het kind zelf ervaart niet alleen dat het meer of sneller begrijpt. Het merkt vooral dat wat er vanbinnen gebeurt moeilijk bereikbaar is voor de mensen om hem heen.

Sommige kinderen bouwen hun begrip zorgvuldig op uit losse onderdelen. Ze volgen de uitleg, onthouden de tussenstappen en komen zo bij het geheel. Voor een kind dat conceptueel denkt, kan de beweging andersom verlopen. Het geheel verschijnt eerst. De onderdelen worden pas later zichtbaar.

Details zijn dan niet altijd de bouwstenen van het begrip. Ze werken eerder als controles achteraf. Wanneer je ze tegenkomt, herken je of ze binnen het grotere patroon passen.

Dat kan vanbinnen heel helder zijn, maar van buitenaf ziet het er vreemd uit. Een kind geeft het juiste antwoord zonder de gevraagde berekening. Het begrijpt een verhaal, maar kan niet aanwijzen welke zin tot dat begrip leidde. Het voelt dat een uitleg niet klopt, terwijl het nog niet beschikt over de woorden om te zeggen waar de fout zit.

De omgeving ziet vooral wat ontbreekt: de tussenstappen, de onderbouwing, de aandacht voor het detail. Het begrip zelf blijft onzichtbaar.

Daardoor ontstaat onbegrip bij anderen. Een leraar kan denken dat het kind heeft gegokt. Ouders kunnen het eigenwijs vinden. Andere kinderen begrijpen niet waarom het ergens zo stellig over is. Soms lijkt het afwezig of ongeïnteresseerd, juist omdat de uitleg waar iedereen nog doorheen beweegt voor hem al onderdeel is van een groter geheel.

Maar het meest verwarrende is dat het kind zelf ook niet begrijpt wat er gebeurt.

Het weet nog niet dat mensen op verschillende manieren tot begrip komen. Het kent geen woorden als conceptueel denken of patroonherkenning. Het ervaart alleen dat iets voor hem duidelijk is en dat anderen daar niet in mee kunnen komen.

Als kind neem je dan niet snel aan dat jouw omgeving jouw manier van denken niet herkent. Het ligt veel meer voor de hand om te denken dat zij gelijk hebben.

Blijkbaar weet ik het toch niet.

Blijkbaar heb ik niet goed opgelet.

Blijkbaar klopt wat ik zie alleen wanneer ik het op hun manier kan bewijzen.

Daarmee verandert onbegrip van buiten langzaam in twijfel van binnen. Je wordt niet alleen niet begrepen door anderen. Je wordt ook onbegrijpelijk voor jezelf.

Dat gebeurt zelden door één groot moment. Het ontstaat door herhaling. Je ziet een verband en krijgt te horen dat je te snel gaat. Je stelt een vraag die voor jou logisch volgt en merkt dat niemand begrijpt waarom je daarover begint. Je voelt dat iets niet klopt, maar kunt het nog niet uitleggen. Iedere keer blijft er een kleine afstand achter tussen wat je waarneemt en wat kennelijk geldig is.

Na verloop van tijd ga je die afstand zelf overbruggen. Niet door je manier van denken beter te begrijpen, maar door haar minder te vertrouwen.

Je leert kijken naar de reacties van anderen om te bepalen of jouw waarneming klopt. Je let op wat wordt verwacht, welke woorden overtuigen en welke redenering als geldig wordt beschouwd. Dat kan je bijzonder gevoelig maken voor sfeer, gedrag en subtiele signalen. Van buitenaf lijkt dat soms op een vanzelfsprekend inlevingsvermogen.

Er kan ook iets anders onder liggen: je hebt geleerd dat je de omgeving nodig hebt om te weten wat je zelf mag geloven.

Zo verschuift het kompas naar buiten. Niet omdat je niets vanbinnen voelt, maar omdat je niet meer weet welke waarde je daaraan kunt geven.

Het vreemde is dat het oorspronkelijke vermogen ondertussen gewoon blijft werken. Je blijft patronen herkennen. Je blijft soms eerder zien waar iets naartoe beweegt. Je blijft verbanden leggen tussen dingen die voor anderen los van elkaar lijken te staan.

Alleen verschijnt er nu onmiddellijk een tweede stem naast: klopt dit wel?

Je zoekt bewijs, bevestiging of toestemming voordat je serieus neemt wat je al hebt waargenomen. En wanneer die bevestiging uitblijft, kan zelfs een helder inzicht weer oplossen in zelftwijfel.

Veel later kunnen er momenten komen waarop oude waarnemingen alsnog blijken te kloppen. Een situatie ontwikkelt zich zoals je destijds al aanvoelde. Een verband dat je niet kon uitleggen wordt voor anderen zichtbaar. Iemand benoemt eindelijk wat jij jarenlang wel zag, maar niet vertrouwde.

Dat geeft opluchting, maar kan ook pijnlijk zijn. Je herkent niet alleen dat je iets goed had gezien. Je ziet tegelijk hoe gemakkelijk je jezelf ervan hebt laten overtuigen dat jouw waarneming niets waard was.

Daarmee is niet gezegd dat ieder gevoel of iedere eerste indruk waar is. Ook patroonherkenning kan worden beïnvloed door angst, verwachting en eerdere ervaringen. Vertrouwen op je eigen waarneming betekent niet dat je jezelf onfeilbaar maakt.

Het betekent dat wat je waarneemt mag blijven bestaan voordat het is bewezen.

Je kunt een inzicht serieus nemen en het toch onderzoeken. Je kunt voelen dat iets niet klopt zonder meteen te weten waarom. Je kunt een patroon herkennen en tegelijk openblijven voor de mogelijkheid dat je een deel ervan verkeerd begrijpt.

Juist die ruimte ontbrak vaak als kind. Er leek maar één keuze te zijn: je kon het uitleggen en had gelijk, of je kon het niet uitleggen en wist het blijkbaar niet.

Wanneer je later begrijpt hoe jouw denken werkt, ontstaat er een derde mogelijkheid. Het inzicht kan eerder aanwezig zijn dan de taal. De tussenstappen kunnen achteraf nog worden gevonden. Soms blijkt het patroon te kloppen, soms moet het worden aangepast, maar het hoeft niet meteen te worden verworpen omdat een ander het nog niet ziet.

Dat verandert de verhouding tot jezelf.

Je hoeft niet langer iedere waarneming buiten jezelf te laten beoordelen voordat je haar mag onderzoeken. Je kunt haar vasthouden, eromheen kijken en wachten tot zichtbaar wordt waar zij op rust. Wat eerst alleen een gevoel van samenhang was, kan dan langzaam woorden krijgen.

Het terugvinden van vertrouwen begint daarom niet met de overtuiging dat je altijd gelijk had. Het begint met het besef dat jouw manier van begrijpen al die tijd werkelijk bestond.

Je was niet leeg waar anderen geen redenering konden zien. Er vond alleen een beweging plaats die je zelf nog niet kende en daardoor ook niet kon vertalen.

Zodra je die beweging leert herkennen, wordt niet meteen alles begrijpelijk voor anderen. Maar je wordt wel weer begrijpelijker voor jezelf.

En misschien is dat wat er als kind het meest ontbrak: niet iemand die bevestigde dat je slimmer was, maar iemand die je hielp begrijpen wat er in je gebeurde.