Persoonlijke ervaringCirca 8 minuten

Ik hoef niet meer gezien te worden

Over de ineenstorting waarin de behoefte om gezien te worden eindelijk losliet.

Ik hoef niet meer gezien te worden

Als ik terugkijk op mijn instorting van twee jaar geleden, zie ik de situatie waarin ik toen zat steeds minder als de oorzaak. Het was eerder een climax. Het punt waarop iets wat al veel langer in mij speelde zo ver was doorgetrokken dat het niet meer verder kon.

Ik heb me bijna mijn hele leven nergens echt thuis gevoeld. De enige herinneringen waarin ik dat gevoel wel herken, komen uit mijn jongste kindertijd. Daarna kwam er iets voor in de plaats wat moeilijk uit te leggen was, maar altijd ergens aanwezig bleef: het gevoel dat ik hier niet hoorde.

Dat botste met iets anders wat ik ook altijd heb geweten. Ik wist dat ik veel in me had. Ik ben intelligent, creatief, zie verbanden en kan dingen maken en bedenken. Ik zie er goed uit en heb een lichaam dat bijna alles kan wat ik ervan vraag. Dat klinkt misschien arrogant wanneer je het zo opschrijft, maar zo voelde het nooit. Het voelde vooral verwarrend, omdat wat ik van binnen ervoer zo weinig leek overeen te komen met wat de wereld mij teruggaf.

Ik zag mensen die in mijn ogen veel minder konden waardering krijgen, geprezen worden, hun plek vinden. Ondertussen kon ik iets maken waarvan ik zelf precies voelde hoeveel erin zat en was de reactie: “Oh ja, leuk.”

En ergens dacht ik dan: wat de fuck, zie je dit dan niet? Zie je niet hoe goed dit is?

Achteraf denk ik dat daar een groot deel van mijn leven uit is voortgekomen. Als de wereld niet vanzelf zag wat ik in mezelf voelde, dan moest ik het blijkbaar zichtbaar maken. Dus ging ik bewijzen. Niet door het hardst te roepen, maar door te maken, te presteren, te helpen, nieuwe dingen te beginnen en steeds opnieuw te proberen iets neer te zetten waarvan niemand de waarde meer kon missen.

Onder al die beweging zat een verlangen dat veel eenvoudiger was: ik wilde gezien worden.

Dat verlangen kwam ook in mijn relaties terecht. Ik zocht mensen bij wie ik het gevoel kreeg dat ze iets in mij herkenden wat anderen niet zagen. Dat voelde als thuiskomen, juist omdat ik dat gevoel zo weinig kende.

Daar zat een kwetsbaarheid die ik toen nog niet begreep. Mensen die anderen gebruiken, kunnen heel goed zijn in het herkennen van precies datgene waar iemand naar verlangt. Ze zien gevoeligheid, talent en onzekerheid. Ze voelen waar de opening zit. Sommige mensen in mijn leven zagen dus wel degelijk wat er in mij zat, alleen betekende dat niet dat ze het wilden beschermen. Ze zagen ook wat ze ermee konden.

Ik heb dat meer dan eens voor liefde aangezien.

Zelfs mijn vertrek uit Nederland zie ik inmiddels deels in datzelfde licht. Er zat een oprechte behoefte aan avontuur en een ander leven in, maar ook die oude vraag reisde mee: misschien hoor ik hier niet, maar ergens anders wel. Misschien voel ik me daar thuis. Misschien ontmoet ik daar mensen die mij begrijpen.

Alleen neem je degene die zoekt natuurlijk gewoon mee.

De omgeving veranderde, de mensen veranderden, maar het patroon bleef. Ik kwam steeds vreemdere mensen tegen, vaak met steeds grotere schade, en mijn behoefte aan erkenning maakte mij juist ontvankelijk voor degenen die wisten hoe ze daarop moesten aansluiten. Zo liep die beweging uiteindelijk door tot het grootste dieptepunt van mijn leven, in een situatie waarin bijna alles wat ik over mezelf voelde afhankelijk was geworden van iets buiten mij.

Toen dat wegviel, viel er veel meer om dan alleen een relatie of een levenssituatie.

Dat wil niet zeggen dat er geen liefde in mijn leven is geweest. Ik heb ouders, broers en zussen die echt van mij houden. Er is warmte geweest. Er zijn mensen geweest die het goed met mij voorhadden. Maar iemand kan van je houden en toch niet kunnen geven wat je op dat moment nodig denkt te hebben. En inmiddels vraag ik me af of iemand mij dat überhaupt had kunnen geven.

Ik heb me veel eenzaam gevoeld. Onbegrepen, anders, alleen in dingen die voor mij groot en vanzelfsprekend voelden.

Maar ook die eenzaamheid begrijp ik nu anders.

Misschien voelde ik me niet alleen omdat er niemand was. Misschien voelde ik me zo alleen omdat ik er zelf steeds minder was.

Ik was voortdurend naar buiten aan het kijken om te ontdekken wie mij zag. Ik zocht iemand die mij begreep, iemand die mijn waarde bevestigde, iemand die terug kon geven wat ik ergens diep van binnen zelf al voelde. Daardoor raakte ik steeds verder verwijderd van degene die ik in die hele zoektocht probeerde te laten vinden.

Na mijn instorting kwam ik op een dag The Three Waves of Volunteers tegen. Ik heb het boek niet eens gelezen. Ik zag waar het over ging en begreep het idee meteen. Daarna heb ik nog wat rondgezocht om te kijken of ik het goed had begrepen.

Ik weet niet of het verhaal uit dat boek letterlijk waar is en ik heb ook geen behoefte om dat te concluderen. Wat voor mij belangrijk was, is dat het ineens een ander perspectief op mijn eigen leven opende.

Voor het eerst kon ik mijn talenten bekijken zonder me af te vragen waarom de wereld ze niet genoeg erkende.

Misschien waren ze daar helemaal niet voor.

Die gedachte was eenvoudig, maar er veranderde veel door. Ik hoef mijn intelligentie niet te gebruiken om te bewijzen dat ik intelligent ben. Mijn creativiteit hoeft niemand te overtuigen dat ik creatief ben. Wat ik maak hoeft niet naar mij terug te kaatsen als bewondering voordat het waarde heeft.

Ik kan wat ik heb ook gewoon gebruiken om iets te laten groeien.

Daarmee kreeg ook mijn eigen geschiedenis een andere betekenis. Niet omdat alles ineens ergens voor gebeurd zou zijn, maar omdat ik iets kan doen met wat ik ervan heb geleerd.

Dat zie ik het sterkst bij mijn kinderen. Ik heb twee prachtige, gevoelige en getalenteerde zieltjes onder mijn hoede gekregen. Ik weet niet wat hun leven gaat worden en ik wil niet voor hen invullen waarvoor zij hier zijn. Maar ik herken dingen in hen. Ik herken hoe intens een binnenwereld kan zijn, hoeveel iemand kan waarnemen en hoe makkelijk je aan jezelf kunt gaan twijfelen wanneer de wereld niet terugspiegelt wat jij van binnen ervaart.

Daar kan ik nu iets in betekenen.

Ik kan proberen hun talent te zien zonder het voor mezelf nodig te hebben. Ik kan ze helpen vertrouwen op wat ze zelf voelen, zonder dat ze voortdurend bewijs van buiten hoeven te verzamelen. Ik kan ze leren dat gevoeligheid iets is om goed mee om te gaan, ook omdat niet iedereen die haar herkent er zorgvuldig mee zal omgaan. En ik kan ze voorleven dat hun waarde niet afhangt van hoeveel applaus er uiteindelijk uit hun mogelijkheden komt.

Daar zit voor mij misschien de vreemdste omkering van mijn hele verhaal. Ik heb zo lang gezocht naar iemand die zag wat er in mij zat. Nu merk ik dat ik steeds minder nodig heb om zelf gezien te worden, en steeds beter kan zien wat er in een ander zit.

Sindsdien forceer ik ook minder. Ik maak nog steeds, bedenk nog steeds en wil nog steeds groeien. Daar is niets aan verdwenen. Alleen hoeft niet ieder idee meer ergens naartoe om iets over mij te bewijzen. Als ik iets geef, hoeft de reactie van een ander niet langer te bepalen wat het waard was.

Vreemd genoeg lijkt er sinds ik minder duw juist meer op me af te komen. Ik wil daar geen kosmische wet van maken. Het kan ook heel eenvoudig zijn. Wanneer je niet voortdurend probeert een bepaalde uitkomst af te dwingen, ontstaat er ruimte om te merken wat zich al aandient. Wanneer je niet van ieder mens erkenning nodig hebt, wordt het ook makkelijker om te zien wie je werkelijk goeddoet en wie vooral geïnteresseerd is in wat hij uit je kan halen.

Dat oude patroon is natuurlijk niet verdwenen. Je duwt bijna 48 jaar een bepaalde kant op en verandert dat niet omdat je op een dag iets begrijpt. Ik voel nog steeds momenten waarop ik wil bewijzen, waarop ik wil dat iemand ziet hoe goed iets is wat ik heb gemaakt. Het verschil is dat ik die beweging nu herken.

Misschien is dat ook hoe ik mijn instorting uiteindelijk het beste kan begrijpen. Niet als het moment waarop ik het leven niet meer aankon, maar als het punt waarop een oude manier van leven niet meer verder kon. Ik had mijn gevoel van waarde steeds verder buiten mezelf gelegd en uiteindelijk was er nergens meer ruimte om nog harder te zoeken.

Er moest iets stoppen.

En wat langzaam is gestopt, is niet mijn behoefte om te maken, te groeien of iets te betekenen. Het is de overtuiging dat de wereld mij daarvoor eerst moet erkennen.

Ik weet niet waarom ik hier ben. Ik weet niet of er een groter plan bestaat, of dat een boek als The Three Waves of Volunteers iets beschrijft wat letterlijk waar is. Die zekerheid heb ik niet nodig.

Ik weet wel dat ik iets heb meegekregen en dat ik kan kiezen wat ik ermee doe. Ik kan ermee maken, denken, liefhebben, helpen en dingen laten groeien. Ik kan mijn kinderen iets meegeven wat ik zelf lang heb gezocht. En ik hoef daarna niet meer naar de wereld te kijken om te vragen of het genoeg was.

Misschien heb ik me zo lang nergens thuis gevoeld omdat ik overal naar thuis zocht. Bij mensen, in relaties, in andere landen, in wat anderen in mij zagen.

En terwijl ik bleef zoeken, raakte ik steeds verder van huis.

Nu kom ik langzaam terug bij mezelf.