Identiteit tegen realiteit
Over politieke groepsverhalen die bepalen wat we willen zien, en de vraag wat mensen nodig hebben om een andere samenleving te dragen.

Identiteit tegen realiteit
Het valt me op hoe voorspelbaar gesprekken over Trump hier in Nederland vaak verlopen. Zodra zijn naam valt, lijkt bijna iedereen eerst even duidelijk te moeten maken aan welke kant hij staat. Meestal volgt er iets als: “Ja, wat een mafkees hè?”
En vaak denk ik dan: is dat je mening?
Er is meer dan genoeg op Trump aan te merken. Juist daarom interesseert die automatische reactie me. Wat wordt er op dat moment eigenlijk gezegd? Iemand kan zijn beleid afwijzen, zich ergeren aan zijn gedrag of iets proberen te begrijpen van zijn aantrekkingskracht. Maar zo’n eerste opmerking lijkt vaak vooral vast te stellen dat we bij dezelfde mensen horen. Daarna kan het gesprek verder.
Wij kennen dat hier net zo goed. De jokkende Rutte, de gevaarlijke Wilders, de linkse zakkenvullers, de rechtse racisten. Iedere groep heeft haar eigen personages gekregen, met een verhaal dat nauwelijks nog hoeft te worden verteld zodra de naam valt.
Wilders kan binnen zo’n verhaal de racist zijn, de fascist, de redder van Nederland of de enige die het durft te zeggen. Wie PVV stemt krijgt de bijbehorende identiteit mee, vaak voordat iemand heeft gevraagd wat die kiezer belangrijk vindt. Bij linkse politiek gebeurt hetzelfde. “Linkse zakkenvullers” zegt weinig over het handelen van een bepaalde politicus, maar geeft wel een hele groep een herkenbare plaats in het verhaal van de ander.
Daarmee wordt ook het gesprek voorspelbaar. We menen al te weten wie iemand is en hoeven steeds minder te onderzoeken wat diegene werkelijk denkt.
Wat onze kant mag doen
Bij Gaza wordt die beweging pijnlijk zichtbaar. Wie spreekt over het leed van Palestijnen kan onmiddellijk worden gehoord als iemand die vóór Hamas is. Wie spreekt over de veiligheid van Israëliërs kan worden behandeld alsof hij daarmee alles rechtvaardigt wat de Israëlische regering doet. Een uitspraak over mensen wordt zo een verklaring van trouw aan een kamp.
De vragen die werkelijk beantwoord moeten worden verdwijnen daar gemakkelijk achter. Welk geweld wordt gerechtvaardigd? Wie draagt verantwoordelijkheid? Wat gebeurt er met de mensen over wie we spreken? De inhoud van een oordeel raakt verstrengeld met de vraag welke groep het uitspreekt en welke groep erdoor geraakt wordt.
Dat maakt de verschillende daden, belangen en verantwoordelijkheden nog niet gelijk. Juist om ze te kunnen beoordelen hebben we een maatstaf nodig die niet telkens verandert zodra onze eigen kant in beeld komt.
Maar dan verschijnt de zin die misschien wel het meest herkenbare mechanisme van de huidige politiek samenvat: ja, maar zij zijn erger.
Mijn politicus liegt misschien, maar kijk eens naar die ander. Onze kant demoniseert misschien, maar zij zijn gevaarlijk. Onze leider gedraagt zich verschrikkelijk, maar je wilt toch niet dat hún kandidaat wint?
Er blijft dan steeds minder over van het principe waarmee het oordeel begon. Wat we bij de ander onaanvaardbaar vinden krijgt binnen de eigen groep een verklaring, een uitzondering of een groter kwaad waartegen het nodig zou zijn. De vraag of iets verkeerd is wordt afhankelijk van wie het doet.
Dat is voor mij het punt waarop politiek onze identiteit begint te beschermen. Een kritiek op onze partij voelt niet langer alleen als een vraag over beleid. Zij raakt ook het beeld dat we van onszelf hebben als iemand die aan de goede kant staat.
Het verhaal wordt belangrijker
Er zijn echte verschillen tussen links en rechts. Migratie, klimaat, belastingen en zorg vragen om keuzes die voor mensen heel verschillende gevolgen hebben. Toch vraag ik me steeds vaker af hoeveel van onze politieke energie nog bij die werkelijkheid terechtkomt.
Wonen blijft een probleem, de zorg loopt vast en bestaanszekerheid keert telkens terug. Na verkiezingen verschijnen nieuwe gezichten en nieuwe beloften, maar ook nieuwe verklaringen waarom vooral de ander verantwoordelijk is voor wat nog niet is opgelost. Een probleem kan zo jarenlang het decor blijven waaraan het volgende politieke verhaal wordt opgehangen.
Daar zit een ongemakkelijke prikkel in. Zolang een probleem bestaat, kunnen partijen er mensen mee mobiliseren. Een oplossing kan die bron van politieke betekenis veranderen of wegnemen. Dat verklaart niet ieder vastgelopen dossier. Problemen zijn ook moeilijk, belangen botsen en beleid kan onbedoelde gevolgen hebben. Maar het helpt wel begrijpen waarom het vertellen over een probleem soms meer politieke waarde lijkt te hebben dan het geduldig oplossen ervan.
Wat zich tussen groepen afspeelt herken ik ook op kleinere schaal. Iemand zegt iets tegen me en vrijwel meteen begint er een interpretatie: word ik aangevallen, begrijpt hij me verkeerd, wat zegt dit over mij? Er heeft iets plaatsgevonden, maar ik reageer al op de betekenis die mijn zelfbeeld eraan geeft.
Zo kan ook een groep een gezamenlijk zelfbeeld bewaken. In dat collectieve ego ligt vast wie wij zijn, wat ons bedreigt en waarom ons handelen gerechtvaardigd is. Nieuwe informatie wordt vervolgens langs dat verhaal gelegd. Past zij erin, dan bevestigt ze wat we al wisten. Botst zij ermee, dan onderzoeken we eerst of de bron wel te vertrouwen is.
Bijna iedereen kan dat bij de andere groep herkennen. Het wordt veel moeilijker zodra de informatie iets van onszelf vraagt.
Trump als symptoom
Trump belichaamt dat landschap op een ongewoon ongefilterde manier. Soms klinkt zijn politieke communicatie alsof een kleuter ruzie staat uit te leggen. De ander begon, de ander is dom, hijzelf heeft gewonnen en niemand is beter dan hij. Dat is hoe zijn manier van spreken geregeld op mij overkomt: politiek teruggebracht tot de positie van het eigen ego.
Een tegenstander krijgt een vernederende typering en het eigen optreden wordt een overwinning. Wie zo spreekt, biedt zijn publiek ook een rol aan. Je kunt deel worden van degene die wint, die zich niets laat vertellen en die de anderen eindelijk op hun plaats zet.
Zijn tegenstanders kunnen vervolgens in hetzelfde spel terechtkomen. Dan wordt Trump een symbool waarmee je laat zien wie je zelf bent. Een concrete kritiek op zijn handelen maakt plaats voor een herkenbaar gebaar van afkeer. “Wat een mafkees hè?” vertelt de groep opnieuw waar je staat.
Daarom denk ik soms dat Trump de juiste man op de juiste plek is.
Dat zegt iets over wat hij zichtbaar maakt. Ik zie in hem geen oplossing, maar een uitvergroting van een patroon dat veel breder bestaat. Zijn manier van optreden maakt het moeilijker om te blijven geloven dat politieke strijd vanzelf om inhoud, verantwoordelijkheid en het gezamenlijke leven draait. Hij trekt de pleister van iets wat ook zonder hem aanwezig was.
Wanneer zo’n zelfbeeld tegen de werkelijkheid botst, kan de verdediging steeds harder worden. We verklaren de tegenvallers, zoeken schuldigen en verzamelen bewijs dat onze oorspronkelijke keuze toch juist was. Een groep kan daarin lang doorgaan, zeker wanneer het toegeven van een fout ook als verraad wordt ervaren.
Dat maakt verandering ingewikkelder dan het vinden van één goede politicus. Iemand met oprechte idealen komt terecht in partijen, media, lobby, bureaucratie en electorale belangen. Daarachter staan wijzelf, met onze verwachtingen en de verhalen waarop we reageren. Het systeem krijgt iedere dag opnieuw vorm in de manier waarop we eraan deelnemen.
Soms wordt een verhaal pas onderzocht wanneer het werkelijk vastloopt. Dat maakt de botsing nog niet wenselijk. Er gaat veel verloren terwijl mensen blijven verdedigen wat hen steeds minder helpt. Bovendien kan teleurstelling ons net zo goed naar een volgend gesloten verhaal brengen.
Oude verhalen, grotere instrumenten
Vanuit die gedachte fascineren eindtijdverhalen me. Misschien herkennen we daarin patronen die mensen veel langer kennen, zonder te hoeven aannemen dat iemand duizenden jaren geleden Donald Trump of sociale media heeft voorzien.
Angst kan mensen naar een groep drijven die veiligheid biedt. De grenzen van die groep bepalen vervolgens wie erbuiten staat. Wanneer die buitenstaanders een bedreiging worden, lijken hardere maatregelen gerechtvaardigd. De andere groep wordt daardoor banger en krijgt weer nieuwe redenen om zichzelf te verdedigen.
De omstandigheden veranderen, maar zo’n beweging kan terugkeren. Onze instrumenten zijn inmiddels enorm geworden. Een verhaal kan miljoenen mensen tegelijk bereiken en voortdurend worden gevoed door beelden, reacties en bevestiging. Een oude menselijke neiging krijgt daardoor een bereik dat zij vroeger niet had.
Misschien zagen sommige oude verhalen vooral waar een samenleving terecht kan komen wanneer zij zo steeds verder beweegt.
Zelf weer deelnemen
De verandering hoeft intussen niet te wachten op één grote breuk. Wanneer mensen minder vertrouwen op wat boven hen wordt georganiseerd, kunnen ze ook dichterbij beginnen.
Ze kopen rechtstreeks bij producenten, verbouwen voedsel of organiseren samen energie. Ze delen gereedschap en vaardigheden, zorgen voor iemand in de buurt of brengen een deel van het onderwijs dichter bij de mensen die ermee leven. Daarin krijgt samenleving weer een concrete vorm. Je kunt zien wat er nodig is, wat jouw bijdrage doet en waar je van iemand anders afhankelijk bent.
Dat vervangt geen ziekenhuis, landelijke infrastructuur of wetenschappelijk onderzoek. Het kan wel onze verhouding tot grotere structuren veranderen. Die bestaan dan mede om te ondersteunen wat we samen niet op kleinere schaal kunnen dragen. Wij worden deelnemers met een eigen aandeel in plaats van mensen die vooral wachten tot iemand anders het organiseert.
Toch lost decentralisatie op zichzelf het probleem niet op. Ook in een kleine gemeenschap kan iemand de macht naar zich toe trekken. Ook daar kunnen buitenstaanders worden gewantrouwd en kan kritiek op een gezamenlijk plan worden gehoord als een aanval op de groep.
We kunnen andere organisaties bouwen en daarin dezelfde verhouding tot elkaar meenemen. Dan veranderen de namen en de schaal, terwijl de behoefte om gelijk te hebben en de eigen positie te beschermen opnieuw bepaalt wat er mogelijk is.
Een ander systeem vraagt daarom ook iets van de mensen die het dragen.
Vrijheid om iets bij te dragen
Daar raakt dienstbaarheid voor mij aan vrijheid. Wanneer mijn waarde niet voortdurend hoeft te worden bevestigd door de positie van mijn groep, komt er ruimte om te kijken waar ik werkelijk iets kan betekenen.
De een verbouwt voedsel, de ander bouwt technologie. Iemand zorgt, iemand onderwijst, iemand maakt muziek of repareert wat kapot is. Die bijdragen verschillen, net als de mensen die ze leveren. Hun waarde wordt zichtbaar in wat ze mogelijk maken.
Zo deelnemen vraagt ook dat je kunt bijsturen. Dat je merkt wanneer een goedbedoeld plan iemand schaadt, wanneer een ander iets beter ziet of wanneer je eigen idee niet werkt. Je blijft verantwoordelijk voor wat je doet zonder ieder resultaat als bewijs van je persoonlijke waarde te hoeven behandelen.
Dat maakt dienstbaarheid iets anders dan jezelf wegcijferen. Je neemt je eigen vermogens serieus en brengt ze in een verhouding waarin ook anderen een plaats hebben. Je hoeft minder energie te besteden aan het verdedigen van je bestaansrecht.
Misschien herken ik daarin iets van het oude beeld van een nieuwe aarde. Mensen leven op dezelfde aarde, maar leren er anders aan deelnemen. Daardoor kan ook de manier waarop ze organiseren, verantwoordelijkheid dragen en elkaar vertrouwen veranderen.
Ik weet niet of dat op grote schaal gebeurt. Wel zie ik waarom een nieuw politiek ontwerp weinig kan veranderen zolang het vooral een nieuwe plaats wordt om hetzelfde zelfbeeld te beschermen. We zullen ook mensen moeten worden die een ander systeem kunnen dragen.
Misschien begint dat bij een veel kleiner moment. Iemand uit mijn eigen groep doet iets wat ik bij de ander zou veroordelen, en ik merk hoe snel er een verklaring in me opkomt. Daar kan ik even blijven kijken, voordat ik haar gebruik. Wat is er eigenlijk gebeurd, en wat vraagt dat van mij?