Het moeilijke paard
Over waarde die bewezen moest worden, tot zelfs het paard de spanning voelde.
Het moeilijke paard
Ik heb lang niet begrepen hoe het mogelijk was dat ik zo’n hekel aan mezelf kon hebben, terwijl ik tegelijkertijd diep van binnen wist wat ik waard was.
Ik wist wat ik kon. Ik wist wat ik zag. Ik wist dat ik intelligent was, gevoelig, creatief, en dat ik verbanden kon leggen die anderen vaak niet zagen. Dat was geen grootspraak. Ik kon die dingen ook aantonen. Ik kon presteren, verantwoordelijkheid dragen, problemen oplossen en mensen meenemen in ideeën die eerst nog nauwelijks vorm hadden.
En toch was er altijd die andere kant.
Het gevoel dat ik voortdurend moest bewijzen dat ik ertoe deed. Dat het niet voldoende was om iets te kunnen. Iemand moest het zien. Iemand moest het erkennen. En wanneer dat niet gebeurde, voelde het niet als een gewone teleurstelling. Het voelde alsof ik alleen achterbleef met alles wat ik in mezelf wist, zonder dat het ergens landde.
Alsof mijn waarde pas werkelijk bestond wanneer een ander haar bevestigde.
Daar zat waarschijnlijk de verwarring. Ik dacht niet werkelijk dat ik niets waard was. Er was altijd een deel in mij dat beter wist. Maar ik vertrouwde er niet op dat mijn waarde uit zichzelf mocht bestaan. Ik had het gevoel dat ik haar zichtbaar moest maken, moest onderbouwen, moest bewijzen. Steeds opnieuw.
Daardoor ben ik een groot deel van mijn leven aan het forceren geweest.
Ik kreeg veel voor elkaar. Mensen zien mij ook als iemand die intelligent is, die veel kan en die waarde toevoegt. Dat beeld is niet onwaar. Maar achter veel van wat ik deed zat spanning. Een angst om irrelevant te zijn. Een verlangen dat iemand eindelijk zou zeggen: ik zie wat jij ziet. Ik zie wie jij bent. Je hoeft het niet meer uit te leggen.
Ik moest vaak degene zijn die het moeilijke probleem oploste. Degene die verder keek. Degene die iets kon wat anderen niet konden. Het lukte ook vaak, waardoor het patroon zichzelf bleef bevestigen. Forceren werkte. Tenminste, aan de buitenkant.
Ik moet daarbij vaak denken aan een bedrijfsuitje van Effectory. We gingen paardenfluisteren. Er was een paard dat als moeilijk werd omschreven. Veel mensen kregen het nauwelijks in beweging.
Ik wel.
Ik kreeg het paard in beweging, maar ik deed het op wilskracht. Ik zette druk, ik concentreerde me en ik zorgde ervoor dat het gebeurde. Totdat de cursusleider zei dat ik moest stoppen, omdat het paard gespannen begon te raken.
Ik had mijn doel bereikt. Het paard bewoog. Maar de spanning waarmee ik het voor elkaar kreeg, was ook voelbaar voor het paard.
Er was die dag ook een collega die bijna het tegenovergestelde van mij leek. Hij had een zorgeloos soort zelfvertrouwen. Alles leek hem makkelijk af te gaan. Mensen vonden hem leuk. Hij kwam authentiek over, zonder allerlei lagen en maskers. Hij hoefde nauwelijks iets te doen. Hij keek naar het paard en het begon te draven.
Dat beeld is me altijd bijgebleven.
Niet omdat hij sterker was, slimmer was of beter wist hoe het moest. Hij droeg geen noodzaak met zich mee. Hij had niets nodig van het paard. Het paard hoefde niet te bewijzen dat hij invloed had. Er was ruimte, en in die ruimte ontstond beweging.
Bij mij moest het lukken.
Ik denk dat ik een groot deel van mijn leven zo met de wereld ben omgegaan. Ik voelde intuïtief wat er mogelijk was en probeerde het vervolgens met kracht werkelijkheid te maken. Wanneer iets niet bewoog, verhoogde ik de druk. Ik werkte harder, dacht langer na, gaf meer en nam meer verantwoordelijkheid op me.
Daar zat kracht in, maar weinig rust.
Onder die bewijsdrang lag vooral eenzaamheid. Ik smachtte ernaar om gezien te worden. Niet alleen om een compliment te krijgen, maar om mezelf terug te vinden in de ogen van een ander. Wanneer niemand zag wat er in mij leefde, voelde het alsof ik alleen bestond in mijn eigen hoofd.
Dat verlangen heeft me ook kwetsbaar gemaakt.
Er zijn mensen geweest die goed zagen wat er in mij zat. Ze zagen mijn loyaliteit, mijn gevoeligheid, mijn vermogen om te begrijpen en mijn bereidheid om ver te gaan voor anderen. Maar zij zagen die kwaliteiten niet altijd als iets wat beschermd moest worden. Soms zagen ze vooral wat die kwaliteiten voor hen konden betekenen.
Achteraf kan ik zien hoe eenvoudig het was om mij vast te houden.
Er hoefde maar af en toe een teken van erkenning te komen. Een moment waarop iemand mij het gevoel gaf dat ik begrepen werd, dat mijn waarde werd gezien of dat ik bijzonder was voor die persoon. Ik stelde me nauwelijks de vraag of die erkenning oprecht was, of de relatie veilig was, of het normaal was om behandeld te worden zoals ik werd behandeld.
Die vraag kwam niet eens aan bod.
De erkenning voelde als een strohalm.
Wanneer iemand mij pijn deed, mij kleiner maakte, iets van mij afnam of mij lange tijd in onzekerheid liet, hoefde die persoon uiteindelijk alleen die strohalm weer te tonen. Een klein beetje aandacht, waardering of nabijheid was genoeg om mij opnieuw te laten geloven dat de verbinding nog bestond.
Ik greep mij eraan vast.
Wanneer de strohalm verdween, dacht ik niet: deze persoon behandelt mij verkeerd. Ik dacht: ik moet beter mijn best doen.
Dat is misschien wel de zin die het grootste deel van dit patroon samenvat.
Ik moet beter doen.
Ik moest begripvoller zijn. Geduldiger. Nuttiger. Minder moeilijk. Minder gevoelig. Ik moest mezelf beter uitleggen, nog meer geven en nog minder nodig hebben. Wanneer de ander zich terugtrok, werd dat voor mij geen informatie over die ander. Het werd een opdracht aan mezelf.
Ik had blijkbaar iets verkeerd gedaan.
Daardoor gaf ik mensen alles in handen. Zij bepaalden wanneer ik voldoende was. Zij konden erkenning geven en haar weer intrekken. En iedere keer dat zij haar introkken, ging ik harder werken om haar terug te verdienen.
Hoe minder ik kreeg, hoe meer ik gaf.
Dat lijkt van buitenaf misschien onbegrijpelijk. Waarom blijf je bij iemand die je pijn doet? Waarom accepteer je gedrag waarvan je ergens wel weet dat het niet klopt? Waarom loop je niet gewoon weg?
Maar van binnen zag het er anders uit.
Weglopen betekende niet alleen dat ik een persoon verloor. Het betekende dat ik opnieuw alleen achterbleef in die ruimte waarin niemand mij zag. De pijn van blijven was groot, maar de angst voor die leegte was soms nog groter.
Ik denk ook niet dat ik alleen maar naïef was. De mensen die mij gebruikten, konden wel degelijk iets werkelijks in mij zien. Dat maakte het juist zo verwarrend. Hun erkenning hoefde niet volledig gespeeld te zijn. Ze konden mijn waarde herkennen en haar tegelijkertijd voor zichzelf willen gebruiken.
Ze zagen het goede in mij, maar ze lieten het niet vrij.
En omdat ik zo verlangde naar iemand die mij zag, merkte ik onvoldoende verschil tussen gezien worden en bezit worden. Tussen liefde en afhankelijkheid. Tussen iemand die mij ontmoette en iemand die toegang tot mij kreeg.
De strohalm was genoeg.
Daarom begrijp ik nu ook beter hoe zelfhaat en een diep besef van eigen waarde naast elkaar konden bestaan. De zelfhaat betekende niet dat ik niets in mezelf zag. Zij ontstond juist in de ruimte tussen wat ik in mezelf wist en wat ik van de buitenwereld terugkreeg.
Ik zag mijn mogelijkheden, maar ik kon ze niet rustig dragen.
Wanneer ze niet werden bevestigd, zocht ik de fout bij mezelf. Wanneer iemand mij niet waardeerde, moest ik waardevoller worden. Wanneer iemand mij verliet, moest ik harder vechten. Wanneer een relatie gespannen raakte, zette ik meer kracht.
Zoals bij het paard.
Het paard moest bewegen, omdat het anders iets over mij leek te zeggen. Stilstand voelde als falen. Afwijzing voelde als bewijs dat ik tekortschiet. De mogelijkheid dat ik gewoon kon stoppen, zonder iets te bewijzen en zonder de uitkomst te beheersen, bestond nauwelijks.
Ik begin nu te zien dat kracht niet alleen zit in iets in beweging krijgen.
Soms zit kracht in het vermogen om niet langer te duwen. In merken dat verbinding alleen nog bestaat door spanning, en dan niet opnieuw harder te gaan werken. In erkennen dat iemand mij misschien wel ziet, maar mij daarom nog niet liefheeft. In accepteren dat mijn waarde niet verdwijnt wanneer een ander haar negeert, ontkent of alleen voor zichzelf wil gebruiken.
Dat is voor mij geen eenvoudige les. Het raakt aan iets ouds. Aan de angst dat ik zonder erkenning oplos, alleen achterblijf of opnieuw moet bewijzen dat ik besta.
Maar misschien begint vrijheid precies daar.
Niet bij minder kunnen, minder zien of minder geven. Ook niet bij mezelf kleiner maken zodat ik niets meer hoef te bewijzen. De bedoeling is niet dat ik mijn kracht verlies.
De bedoeling is dat ik haar niet langer inzet uit paniek.
Dat ik niet meer hoef te forceren om zichtbaar te worden. Dat ik niet meer alles hoef te geven aan degene die mij af en toe een strohalm toewerpt. Dat ik mag onderzoeken hoe iemand mij behandelt, ook wanneer die persoon zegt mij te zien.
Ik ben niet pas waardevol wanneer iemand dat bevestigt.
En wanneer iemand mij alleen kan vasthouden door erkenning af te wisselen met afwijzing, dan is dat geen bewijs dat ik beter mijn best moet doen. Het is informatie over de verhouding waarin ik terecht ben gekomen.
Misschien is dat het verschil dat ik nu langzaam leer voelen.
Vroeger zag ik elke terugtrekking als een opdracht: harder werken, harder vechten, mezelf nog meer opgeven.
Nu probeer ik haar te zien als een moment om stil te staan.
Niet om te vragen hoe ik de ander weer in beweging krijg, maar om te voelen wat de spanning mij vertelt. Niet om mezelf opnieuw te bewijzen, maar om te onderzoeken waarom ik denk dat ik dat nog nodig heb.
Ik weet nog steeds wat ik kan. Ik weet nog steeds wat ik zie. Daar is niets aan veranderd.
Wat verandert, is dat ik steeds minder bereid ben om mezelf te verliezen om ervoor te zorgen dat iemand anders het ook ziet.